Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/3.7.8
3.7.8 Aandelenoverdracht door pandgever
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706223:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/30. Indien de verkrijger van de aandelen geen schuldenaar is van de gesecureerde vordering, dan ontstaat door de overdracht een zogenoemd derdenpand (§2.10.3).
Vgl. (algemeen) HR 16 maart 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC5907; HR 11 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC1886. Vgl. (erfpacht) Parl. Gesch. BW Boek 5, p. 3 en 297. Zie ook (in algemene zin over de kwestie of afspraken en bevoegdheden in het kader van een beperkt recht goederenrechtelijk effect toekomt) Struycken 2007, p. 382-401; Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/33. Zie in gelijke zin (dat het zogenoemde ‘voldoende-verbandvereiste’ ook toepasselijk is bij zekerheidsrechten) Bartels 2018, p. 253; Verdaas 2015/32.
135. Wanneer de pandgever zijn aandelen overdraagt, blijft het pandrecht daarop rusten op grond van droit de suite – ook wel zaaksgevolg genoemd.1 De verkrijger van de verpande aandelen moet daarbij de tussen de pandgever-vervreemder en de pandhouder gemaakte afspraken over de toekenning en de onthouding van stem- en certificaathoudersrechten tegen zich laten werken (art. 2:89/198 lid 4 BW). Zulke afspraken houden mijns inziens zodanig verband met het pandrecht, dat de afspraken een goederenrechtelijke werking toekomen.2 Deze afspraken zien namelijk op eigenschappen van het pandrecht op aandelen waarin de wet uitdrukkelijk voorziet. In zoverre is daarbij mijns inziens geen sprake van de aanvulling van het pandrecht, maar van de invulling. Anders is dat wat betreft de afspraken tussen de pandgever en de pandhouder die onvoldoende verband houden met de kern van het pandrecht op aandelen. Voorbeelden daarvan zijn mijns inziens afspraken over de uitoefening van zeggenschap door de pandgever – denk aan toestemmingsvereisten en verboden – en een door de pandgever aan de pandhouder verleende stemvolmacht. Omdat deze afspraken geen betrekking hebben op de kerneigenschappen van het pandrecht, komen aan zulke afspraken mijns inziens slechts verbintenisrechtelijke werking toe. De rechtsopvolger van de pandgever is daarom in beginsel niet aan deze afspraken is gebonden. De zeggenschapsrechten die de pandhouder zijn toegekend op grond van de statuten van de vennootschap worden niet geraakt door de overgang van het pandrecht. Aan deze rechten komt vennootschapsrechtelijke werking toe. De verkrijger moet deze rechten mijns inziens respecteren omdat hij deel uitmaakt van het vennootschappelijk verband.
136. In bepaalde gevallen wordt een aandeelhouder beperkt in de uitoefening van zijn zeggenschapsrechten. Zo bepaalt de wet dat geen stem mag worden uitgebracht in de algemene vergadering voor een aandeel dat toebehoort aan de vennootschap of aan een dochtermaatschappij daarvan (art. 2:118 lid 7/228 lid 6 BW). Wanneer de pandgever zijn aandelen overdraagt aan zo’n persoon, dan komt de vraag op of de pandhouder die het stemrecht (voorwaardelijk) is toegekend, daardoor wordt beperkt. De wet stelt bij de beperking immers het aandeel centraal, en niet de aandeelhouder. Mijns inziens volgt uit de strekking van de regeling en het stelsel van de wet dat de pandhouder in zulke gevallen niet wordt beperkt in de uitoefening van zijn stemrecht. De pandhouder heeft immers een eigen stemrecht (§3.3.1-3.3.2). Hij oefent in geval van stemgerechtigdheid niet het recht uit van de aandeelhouder. En de kwaliteit van de pandhouder geeft geen reden voor de beperking van zijn stemgerechtigdheid. De wet bevestigt dit en bepaalt dat als de pandgever zijn aandelen overdraagt aan de vennootschap waarvan de aandelen zijn verpand of aan een dochtermaatschappij van de vennootschap, de stemrechtbeperking niet geldt voor de pandhouder indien het pandrecht was gevestigd voorafgaand aan de overdracht (art. 2:118 lid 7/228 lid 6 BW). Iets vergelijkbaars geldt mijns inziens wat betreft de opschorting van zeggenschapsrechten bij statutaire extra-verplichtingen. Wanneer de verkrijger van de aandelen bijvoorbeeld niet voldoet aan de statutaire kwaliteitseisen, dan raakt het stem- en vergaderrecht dat toekomt aan de pandhouder daardoor mijns inziens niet opgeschort (§3.7.2).