Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/4.2.4
4.2.4 Zekerheidseigendom
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264379:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Naeranus, Hollandsche Consultatien, nr. 2.315, 3.9 en 3.147; Van Bijnkershoek, OT, nr. 2823; Pauw, OTN, nr. 187 en 1249; Lokin 2007, p. 149-153; Van Hoof 2015, p. 125.
Naeranus, Hollandsche Consultatien, nr. 3.147 (De Groot); Van Bijnkershoek, OT, nr. 1485; Pos 2008, p. 85-86; Van Hoof 2015, p. 126. Vgl. Waerschouwinge van de Staten van Hollandt ende West-Vrieslandt en Verklaring over ‘t Placaet van den XL. penningh op generale Verbanden &c. 20 februari 1665, Cau, G.P. III, p. 1005-1006.
Naeranus, Hollandsche Consultatien, nr. 2.315; Pauw, OTN, nr. 1249; Lokin 2007, p. 153; Van Hoof 2015, p. 125-127.
Naeranus, Hollandsche Consultatien, nr. 2.315 en 3.147; De Groot, Inleydinge, nr. 2.3.5; Pos 1970, p. 183; Lokin, Jansen & Brandsma 1999, p. 92; Van Hoof 2015, p. 127.
Naeranus, Hollandsche Consultatien, nr. 2.315; Van Bijnkershoek, OT, nr. 2823 en 3051; Pauw, OTN, nr. 187 en 1249; Lokin 2007, p. 149-153; Pos 2008, p. 97-98; Van Hoof 2015, p. 126. Zie voorts §4.2.8.
Advies van Roch in: Naeranus, Hollandsche Consultatien, nr. 3.9. Emptione pignoris causa facta, non quod scriptum, sed quod gestum est inspicitur. Eigen vertaling, gebaseerd op Van Hoof 2015, p. 126.
Naeranus, Hollandsche Consultatien, nr. 3.147 (De Groot). In gelijke zin: Van Hoof 2015, p. 126.
Naeranus, Hollandsche Consultatien, nr. 3.147 (De Groot). In gelijke zin: Van Hoof 2015, p. 126.
Deze lezing werd vermoedelijk verdedigd door de in het ongelijk gestelde partij in Pauw, OTN, nr. 1249; vgl. Lokin 2007, p. 153.
In gelijke zin: Van Hoof 2015, p. 126.
De Groot vermeldde dat de rentebrief “in handen gesteld” was.
§4.2.1.
Het Rooms-Hollandse recht kende naast het recht van pand ook zekerheidseigendom. In monografieën komt zekerheidseigendom niet naar voren, wel in advies en rechtspraakverzamelingen. In plaats van een pandrecht te vestigen, kon een schuldenaar een hem toebehorende zaak tot zekerheid van een bepaalde vordering overdragen aan de schuldeiser.1
Om een zekerheidsoverdracht tot stand te brengen dienden partijen niet alleen te voldoen aan de vereisten voor een eigendomsoverdracht, zij dienden ook de 40e penning te betalen over de waarde van de gesecureerde vordering. De overdracht diende te zijn vastgelegd in een notariële akte of schepenbrief.2
Het goederenrechtelijke rechtsgevolg van een zekerheidsoverdracht was dat de schuldeiser het eigendomsrecht op het zekerheidsobject verkreeg, en niet slechts een beperkt recht van pand. De schuldenaar werd beschikkingsonbevoegd ten aanzien van de goederen die hij tot zekerheid overdroeg. Dit betekende dat de schuldenaar geen later pandrecht op het zekerheidsobject kon vestigen.3 Het adagium mobilia non habent sequelam ex causa hypotheca was bovendien niet van toepassing op zekerheidseigendom. De reikwijdte van dit adagium was beperkt tot het pandrecht op roerende zaken.
De zekerheidsgerechtigde verloor zijn recht dus niet als de schuldenaar het zekerheidsobject aan een derde vervreemdde: de derde-verkrijger werd in beginsel niet beschermd.4
Voor het overige waren de rechtsgevolgen van het pandrecht van overeenkomstige toepassing op de zekerheidsoverdracht. Bleek uit de bedoeling van partijen dat zij een overdracht tot zekerheid beoogden, dan kwalificeerde de rechter de overgedragen eigendom als zekerheidsrecht:5
“Om vast te stellen of een koop is geschied tot zekerheid, moet niet worden onderzocht wat is geschreven, maar wat is bedoeld.”6
De kwalificatie van eigendom als zekerheidsrecht bracht mee dat de regels van pandgebruik analoog van toepassing waren. Deze regels traden bij het pandrecht immers van rechtswege in werking als de pandhouder de feitelijke heerschappij over het onderpand had. Dit blijkt uit een advies van Hugo de Groot.7
Joosten had een schuld van vierhonderd Vlaamse ponden aan Breeman. Tot zekerheid van terugbetaling van deze schuld droeg Joosten een rentebrief over. De schuldenaar van deze rentebrief was Philipsz. De Groot kreeg de vraag voorgelegd deze transactie te kwalificeren. Hij stelde vast dat met de transactie beoogd werd om de eigendom van de rentebrief over te dragen aan Breeman. De overdracht geschiedde echter tot zekerheid, zodat De Groot de regels van pandrecht toepaste op de verhouding tussen Joosten en Breeman. Met de zekerheidsoverdracht had Breeman een recht van rentepandgebruik verkregen. Hij mocht bij Philipsz. de rentetermijnen die op grond van de rentebrief verschuldigd waren, innen in plaats van een rentepercentage over de gesecureerde vordering. De toepassing van de regels van pandgebruik leidde er volgens De Groot echter wel toe dat het bedrag dat Breeman onder zich hield als rente niet hoger mocht zijn dan het rentepercentage dat bij wet maximaal was toegestaan.8
Een andere mogelijke lezing van dit advies is dat De Groot meende dat helemaal geen eigendomsoverdracht tot stand was gekomen, omdat dit niet strookte met de partijbedoelingen.9 In dat geval was Breeman slechts pandhouder en geen zekerheidseigenaar. Deze lezing verklaart echter niet waarom partijen de 40e penning hadden voldaan.10 Hadden partijen slechts een pandrecht willen vestigen, dan hadden zij een vuistpandrecht gevestigd. De feitelijke heerschappij over de rentebrief was immers verschaft aan Breeman11 en met de vestiging kwam ook een recht van rentepandgebuik tot stand. Voor de vestiging van een pandrecht op een roerende zaak of vordering aan toonder was de 40e penning niet vereist.12