Startinformatie in het strafproces
Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/5.5.3.3.3:5.5.3.3.3 Het toetsen van de rechtmatigheid van TCI-informatie: inzien van interne stukken
Startinformatie in het strafproces 2014/5.5.3.3.3
5.5.3.3.3 Het toetsen van de rechtmatigheid van TCI-informatie: inzien van interne stukken
Documentgegevens:
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Politierecht / Bevoegdheden
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 16 februari 2000, EHRC 2000, 32 (Fitt). Zie ook EHRM 22 juli 2003, EHRC 2003, 81 (Edwards en Lewis).
HR 5 oktober 2010, NJ 2011, 169 m.nt Sch.
Hoge Raad 5 december 2000, NJ 2001, 206.
Hof Arnhem 16 juni 2007, LJN BA7274.
Stb. 2011, 601. Zie in dit verband ook A.A. Franken, ‘Regels voor het strafdossier’, D&D 2010, p. 403.
Rb. Amsterdam 26 juli 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:5180.
Hoge Raad 9 juli 2010, NJ 2010, 416.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast het verzoek tot het horen van getuigen kan de verdediging ook het verzoek doen tot het inzien van interne stukken van het TCI ter toetsing van de rechtmatigheid. Het gaat dan om de door de runners opgemaakte journaals omtrent hun contacten en bevindingen in relatie tot een informant. In verband hiermee zij allereerst gewezen op de uitspraak van het EHRM in de zaak Fitt.1 Het EHRM overweegt in die zaak dat het recht op kennisneming van al het relevante (bewijs)materiaal niet absoluut is. Soms kan het noodzakelijk zijn om de verdediging bepaald (bewijs)materiaal te onthouden om op die manier rechten van een ander te beschermen of een belangrijk algemeen belang (waaronder opsporingsbelangen) te garanderen. Het EHRM overweegt voorts wel dat dergelijke beperkingen van de rechten van de verdediging strikt noodzakelijk moeten zijn en dat bovendien de beperkingen van de verdedigingsrechten moeten worden gecompenseerd door een goede rechterlijke procedure. Voorts wordt het eerder aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 10 oktober 2010 in herinnering gebracht, waarin het belang van een deugdelijke verslaglegging met het oog op een effectieve rechtmatigheidstoets wordt onderstreept.2
De Hoge Raad laat zich in zijn arrest van 5 december 2000 specifiek uit over deze materie in relatie tot het TCI.3 Daarin wijst het hof het verzoek van de verdediging tot inzage in de journaals van de runners af nu de runners reeds ter zitting zijn gehoord. De Hoge Raad gaat hierin mee en verwijst naar de conclusie van de A-G. Deze overweegt dat als er geen reden is te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van de runners over hetgeen de journaals inhouden, daarmee de inhoud van die journaals bekend is en deze dus niet hoeven te worden ingezien. In dit verband is ook het tussenarrest van het Hof Arnhem in de meermalen aangehaalde Goudsnip-zaak interessant.4 Het hof overweegt dat de journaals, gelet op hun functie en vertrouwelijk karakter, in beginsel slechts voor intern gebruik bestemd zijn. Bij de controle op de rechtmatigheid kan, zoals in deze zaak ook is gebeurd, dikwijls ook goed worden volstaan met indirecte wijzen van toetsing, zoals het horen van het Hoofd TCI of van runners. Gelet op de tegenstrijdigheden in verklaringen van een runner en de informant komt het hof in casu overigens wel tot het oordeel dat de journaals aan het dossier dienen te worden toegevoegd.
Tot slot wordt gewezen op twee andere routes die de verdediging kan bewandelen in een poging meer inzicht te verkrijgen in de interne stukken van het TCI. Ten eerste lijkt de Wet herziening regels betreffende processtukken in strafzaken hiertoe nieuwe mogelijkheden te bieden.5 Het eerste lid van het naar aanleiding van deze wet in het Wetboek van Strafvordering opgenomen artikel 34 bepaalt immers dat de verdachte de officier van justitie kan verzoeken specifiek omschreven stukken die hij van belang acht voor de zaak bij de processtukken te voegen. In het vierde lid wordt vervolgens bepaald dat de officier dit verzoek kan weigeren indien hij van oordeel is dat de gevraagde stukken geen processtukken zijn dan wel als hij oordeelt dat opsporingsbelangen zich tegen de voeging verzetten. De officier behoeft hiertoe wel een machtiging van de r-c. Uit een in de context van deze nieuwe wetgeving gedane uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 26 juli 2013 volgt dat de verdediging op deze wijze tracht interne stukken van het TCI aan het dossier toe te voegen.6 De r-c is tweeledig in zijn afwijzing van dit verzoek van de verdediging. Het bestaande afschermingsbelang wordt hieraan ten grondslag gelegd en bovendien oordeelt de r-c dat de interne stukken van het TCI geen processtukken zijn zoals bedoeld in art. 149a Sv. Ten besluit zij in een iets ander verband gewezen op een civiel arrest van de Hoge Raad.7 In die zaak oordeelt de Hoge Raad dat de interne coderingen van het TCI over de betrouwbaarheid van de informant en door hem verstrekte informatie, aan te merken zijn als persoonsgegevens. Persoonsgegevens waarvan de belanghebbende, zoals een latere verdachte, in beginsel kennis mag nemen. Aldus lijkt de mogelijkheid te bestaan via de civiele weg enige inzage te krijgen in interne stukken van het TCI.