Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt
Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/4.4.1:4.4.1 Inleiding
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/4.4.1
4.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS297062:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 30 maart 2006, zaak C-184/04, (Uudenkaupungin kaupunki), V-N 2006/18.25.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor heb ik de gevolgen voor de aftrek van voorbelasting besproken van het niet gebruiken van ingekochte goederen en diensten. Hierna zal ik ingaan op de gevolgen voor de aftrek van het gebruik van ingekochte goederen en diensten voor niet-economische activiteiten. Om meerdere redenen kan aangenomen worden dat de voorbelasting die direct toerekenbaar is aan niet-economische activiteiten niet aftrekbaar is. Op de eerste plaats omdat aangenomen zou kunnen worden dat degene die een niet-economische activiteit verricht niet als belastingplichtige handelt. En op de tweede plaats omdat bij een niet-economische activiteit geen sprake is van een belaste activiteit, hetgeen op grond van art. 168 btw-richtlijn een voorwaarde is om voor aftrek in aanmerking te komen. Dit wordt bevestigd door het Uudenkaupungin kaupunki-arrest.1 Dit arrest is in dit kader vooral van belang omdat het Hof van Justitie EU zijn beslissing aanvangt met enkele overwegingen waarin in algemene bewoordingen nog eens duidelijk wordt gemaakt dat het aftrekrecht de belangrijkste pijler van het btw-stelsel is:
24. Om te beginnen zij eraan herinnerd dat volgens de logica van het bij de Zesde richtlijn ingevoerde stelsel de belastingen die in een eerder stadium zijn geheven over de goederen of diensten die een belastingplichtige in het kader van zijn belaste handelingen gebruikt, kunnen worden afgetrokken. De aftrek van de voorbelasting hangt samen met de inning van belasting in een later stadium. Wanneer door een belastingplichtige ontvangen goederen of diensten worden gebruikt voor vrijgestelde handelingen of handelingen die niet binnen de werkingssfeer van de BTW vallen, kan er geen sprake zijn van heffing van belasting in een later stadium noch van aftrek van voorbelasting. Worden goederen of diensten daarentegen gebruikt voor in een later stadium belaste handelingen, dan is aftrek van de hierover in een eerder stadium geheven belasting noodzakelijk om dubbele belasting te vermijden.
25. De periode voor herziening van de aftrek overeenkomstig artikel 20 van de Zesde richtlijn maakt het mogelijk onjuistheden in de berekening van de aftrek en voordelen of ongerechtvaardigde nadelen voor de belastingplichtige te vermijden, met name wanneer zich na de aangifte wijzigingen voordoen in de elementen die aanvankelijk in aanmerking zijn genomen voor het bepalen van het bedrag van de aftrek. De waarschijnlijkheid van dergelijke wijzigingen is bijzonder groot bij investeringsgoederen die vaak gedurende een periode van meerdere jaren worden gebruikt, in de loop waarvan de bestemming ervan kan veranderen. De Zesde richtlijn voorziet dan ook in een herzieningsperiode van vijf jaar, die kan worden verlengd tot twintig jaar voor onroerende goederen, met een over de gehele periode gespreide variabele aftrek.
26. Het stelsel voor herziening van de aftrek is een essentieel bestanddeel van het bij de Zesde richtlijn ingevoerde stelsel, doordat dit de juistheid van de aftrek dient te verzekeren en dus de neutraliteit van de belastingdruk. Artikel 20, lid 2, van de Zesde richtlijn, dat betrekking heeft op investeringsgoederen, waar het in het hoofdgeding om gaat, is overigens opgesteld in bewoordingen die geen twijfel laten over het verbindende karakter ervan.
Uit de hierna te bespreken jurisprudentie van het Hof van Justitie EU zal blijken dat het hof de door zichzelf geformuleerde uitgangspunten niet zeer rechtlijnig maar genuanceerd toepast. Uit deze jurisprudentie kan namelijk opgemaakt worden dat een belastingplichtige, die in het kader van zijn algemene economische activiteit goederen en diensten gebruikt voor buiten de werkingssfeer van de btw vallende handelingen, de op deze goederen en diensten drukkende btw toch geheel of gedeeltelijk in aftrek kan brengen.