Einde inhoudsopgave
De concern(genoten)enquête (VDHI nr. 158) 2019/7.2.7.1
7.2.7.1 Inleiding
mr. R.P. Jager, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. R.P. Jager
- JCDI
JCDI:ADS85940:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vide voetnoot 312 supra.
Vide hof Amsterdam (OK) 20 juli 2000, rekestnr. 592/2000 (Nedco); hof Amsterdam (OK) 16 november 2000, JOR 2001/9 (MUS); hof Amsterdam (OK) 23 januari 2001, JOR 2001/56 (Tactron); hof Amsterdam (OK) 1 augustus 2002, ARO 2002/129 (Mali Zevenaar); hof Amsterdam (OK) 6 juni 2003, ARO 2003/98 (McVeldt); hof Amsterdam (OK) 20 juni 2003, ARO 2003/110 (B&S Heiloo); hof Amsterdam (OK) 13 april 2004, ARO 2004/54 (Cebepe); hof Amsterdam (OK) 24 maart 2005, ARO 2005/55 (ACI); hof Amsterdam (OK) 25 maart 2005, ARO 2005/59 (Euroyal); hof Amsterdam (OK) 20 juni 2005, ARO 2005/97 (’t Hart); hof Amsterdam (OK) 21 juni 2005, ARO 2005/98 (Knapen) en hof Amsterdam (OK) 11 oktober 2005, ARO 2005/188 (Knapen); hof Amsterdam (OK) 20 juli 2005, ARO 2005/119 (BKV); hof Amsterdam (OK) 22 juli 2005, ARO 2005/121 (Arthromed); hof Amsterdam (OK) 7 april 2006, ARO 2006/72 (Punching) en hof Amsterdam (OK) 11 juli 2006, ARO 2006/139 (Punching); hof Amsterdam (OK) 30 mei 2006, ARO 2006/105 (BWI); hof Amsterdam (OK) 28 juni 2006, ARO 2006/114 (Van Lennep); hof Amsterdam (OK) 9 mei 2006, ARO 2006/99 (TriQorp) en hof Amsterdam (OK) 28 juli 2006, ARO 2006/145 (TriQorp); hof Amsterdam (OK) 26 juli 2006, ARO 2006/142 (K & H); hof Amsterdam (OK) 13 oktober 2006, ARO 2006/172 (Hartevelt); hof Amsterdam (OK) 24 november 2006, ARO 2006/193 (Masselink); hof Amsterdam (OK) 24 november 2006, ARO 2006/192 (De Leeuw); hof Amsterdam (OK) 28 februari 2007, ARO 2007/46 (ITpreneurs); hof Amsterdam (OK) 3 mei 2007, JOR 2007/143, m.nt. M.P. Nieuwe Weme, Ondernemingsrecht 2007/ 103, m.nt. M.J. van Ginneken (ABN AMRO); hof Amsterdam (OK) 22 juni 2007, ARO 2007/102 (Micam); hof Amsterdam (OK) 5 maart 2008, ARO 2008/53 (Kalf-Valk); hof Amsterdam (OK) 17 december 2008, ARO 2009/3 (MCEG) en hof Amsterdam (OK) 31 juli 2009, ARO 2009/133 (MCEG); hof Amsterdam (OK) 3 december 2008, ARO 2008/191 (Graphic); hof Amsterdam (OK) 26 januari 2009, ARO 2009/19 (E&M Horeca); hof Amsterdam (OK) 16 maart 2009, ARO 2009/56 (Nedelko); hof Amsterdam (OK) 8 maart 2010, ARO 2010/44 (Allround Cargo); hof Amsterdam (OK) 29 april 2010, ARO 2010/72 (Celco); hof Amsterdam (OK) 20 mei 2010, ARO 2010/88 (UPA); hof Amsterdam (OK) 16 november 2010, ARO 2010/170 (2Link); hof Amsterdam (OK) 29 juni 2010, ARO 2010/104 (Posttate); hof Amsterdam (OK) 21 juni 2011, ARO 2011/104 (Markerink); hof Amsterdam (OK) 27 december 2011, ARO 2012/6 (Hein Schilder); hof Amsterdam (OK) 10 april 2012, ARO 2012/ 56 (Sequoia); hof Amsterdam (OK) 30 mei 2013, ARO 2013/98 (Meditaxi) en hof Amsterdam (OK) 1 juli 2013, ARO 2013/119 (Meditaxi); hof Amsterdam (OK) 21 augustus 2014, ARO 2014/175 (Depron); hof Amsterdam (OK) 21 april 2015, ARO 2015/117 (Penta Properties); hof Amsterdam (OK) 14 juli 2017, ARO 2017/147 (TCO); hof Amsterdam (OK) 14 december 2017, ARO 2018/38 (Cosijn & Visser); hof Amsterdam (OK) 21 december 2017, ARO 2018/49 (Ager); hof Amsterdam (OK) 21 december 2017, ARO 2018/50 (IHP); hof Amsterdam (OK) 1 februari 2018, ARO 2018/90 (Setay); hof Amsterdam (OK) 1 maart 2018, ARO 2018/79 (Trinity); hof Amsterdam (OK) 28 maart 2018, ARO 2018/108 (Baars); hof Amsterdam (OK) 6 april 2018, ARO 2018/110 (Monitor); hof Amsterdam (OK) 20 juni 2018, ARO 2018/144 (Harderwijk); hof Amsterdam (OK) 27 augustus 2018, ARO 2018/185 (Hoeve Holland); hof Amsterdam (OK) 24 september 2018, ARO 2018/194 (Monitus); hof Amsterdam (OK) 4 december 2018, ARO 2019/41 (Korsten); hof Amsterdam (OK) 31 januari 2019, ARO 2019/73 (Monmar); hof Amsterdam (OK) 19 februari 2019, ARO 2019/83 (Treffers); hof Amsterdam (OK) 19 februari 2019, ARO 2019/84 (Lap); hof Amsterdam (OK) 5 april 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1603 (Cavari).
Cf. hof Amsterdam (OK) 25 maart 2005, ARO 2005/57, r.o. 3.4 (LdB Ogilvy & Mather); hof Amsterdam (OK) 3 augustus 2007, ARO 2007/135, r.o. 3.3 (Callisto); hof Amsterdam (OK) 6 mei 2008, ARO 2008/87, r.o. 3.1 (Stucadoorsbedrijf L&L); hof Amsterdam (OK) 30 maart 2011, ARO 2011/63, r.o. 3.7 (Muntal).
Somtijds sluit de verweerster zich aan bij het oordeel van de Ondernemingskamer of sluit zij zich aan bij, althans verzet zij zich (expliciet) niet tegen, het verzoek tot het gelasten van een onderzoek naar haar beleid en gang van zaken.
In beginsel neemt de Ondernemingskamer in geval van een enquêteverzoek ten aanzien van een enkelvoudige vennootschap ook geen overweging in haar beschikking op waarin zij vaststelt dat de verzoeker aan de eisen als bedoeld in art. 2:346, eerste lid, onderdeel b of c, BW voldoet en mitsdien bevoegd – en in zoverre ontvankelijk – is ten aanzien van het door hem gedane verzoek indien (gemotiveerd en onweersproken) is gesteld – en de Ondernemingskamer zulks (niet) (on)juist voorkomt, althans geen reden heeft om daaraan te twijfelen, dan wel niet ex officio toetst of de verzoeker inderdaad, zoals hij stelt, aan de vorenbedoelde eisen voldoet – of gebleken is dat hij daaraan voldoet.
Vide hof Amsterdam (OK) 29 maart 2001, rekestnr. 306/2001, r.o. 3.1 (Incore); hof Amsterdam (OK) 31 augsustus 2001, JOR 2001/207 (Easy World Airline) en hof Amsterdam (OK) 31 december 2002,ARO 2003/8, r.o. 3.1 (Easy World Airline); hof Amsterdam (OK) 31 juli 2002, ARO 2002/128, r.o. 3.1 en 3.3 (Polyplus); Hof Amsterdam (OK) 27 juni 2003, ARO 2003/113, r.o. 3.1-3.12 (Johnny Hoes); hof Amsterdam (OK) 17 april 2008, JOR 2008/157, m.nt. A. Doorman, r.o. 3.1 (ABN AMRO).
Hof Amsterdam (OK) 20 december 2013, ARO 2014/9, r.o. 3.6 (Agri). De Ondernemingskamer concludeerde dat er geen gegronde redenen waren om aan de juistheid van het beleid of de gang van zaken van ‘Agri Holding c.s.’, i.e. de bovenliggende vennootschap, waarvan de verzoekster 50%- aandeelhouder was, en haar twee volle onderligende vennootschappen (Vide r.o. 1.1 en 2.1-2.2), te twijfelen, om welke reden de verzoeken werden afgewezen (r.o. 3.7).
Hof Amsterdam (OK) 13 maart 2014, ARO 2014/60, r.o. 3.11 (S&R). Eerder, in r.o. 3.9, oordeelde de Ondernemingskamer dat er gegronde redenen waren om aan de juistheid van het beleid en de gang van zaken van de holding en van een volle onderliggende vennootschap (Vide r.o. 2.2) van haar te twijfelen waren. Een onderzoek werd bij hen bevolen. Daarin ligt besloten dat de verzoekster te hunnen aanzien enquêtegerechtigd was.
Cf. de – reeds buiten beschouwing gelaten (Vide voetnoot 320 supa) – beschikking hof Amsterdam (OK) 22 september 2015, ARO 2015/211, r.o. 3.13 (Schoenaker), waarin de Ondernemingskamer, kort gezegd en voor zover hier van belang, overwoog dat het verzoek, voor zover dat zag op – de onder Schoenaker Holding, waarvan de verzoekster certificaathouder was, hangende vennootschappen (Vide r.o. 2.1 en 2.3) – Eastpack, Enter, Kunststoffen, Automotive en Verhuur, werd afgewezen, daar zij in het gestelde onvoldoende aanleiding zag om een onderzoek bij de vijf laatstgenoemde vennootschappen te bevelen, om te vervolgen met de overweging dat de verzoekster geen aanknopingspunten had aangedragen die zulks rechtvaardigden.
Met uitzondering van hof Amsterdam (OK) 30 oktober 2003, JOR 2003/282, in het bijzonder r.o. 3.18, m.nt. T.M. Stevens (Landis), nu deze tot ’s Hogen Raads Landis-beschikking heeft geleid en daarin overeind is gebleven.
HR 4 februari 2005, NJ 2005/127, m.nt. J.M.M. Maeijer, JOR 2005/58, m.nt. F.J.P. van den Ingh,Ondernemingsrecht 2005/80, m.nt. S.J. Spanjaard, AA 2005/12, m.nt. M.J.G.C. Raaijmakers, r.o. 3.3.5 (Landis).
In deze (slot)paragraaf zal ik ingaan op de door de Ondernemingskamer verrichte bevoegdheidsbeoordeling – en daarmee de ontvankelijkheid – ter zake van de gedane verzoeken voor zover die betrekking hebben op het mede doen instellen van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van, en het, eventueel, (mede) treffen van onmiddellijke voorzieningen bij, een of meer onderliggende vennootschappen in wier geplaatste kapitaal de bovenliggende vennootschap, waarvan de verzoeker aandeel- of certificaathouder is, (een deel van) de (certificaten van) aandelen houdt, een en ander aan de hand van, wederom, de pregeselecteerde beschikkingen.1
Een groot deel daarvan bevat evenwel geen daaraan gewijde rechtsoverwegingen.2 Dat kan hiermee te maken hebben dat (i) gesteld of gebleken was dat en waarom, op basis van de daartoe redengevende feiten en omstandigheden, de verzoeker (ook) enquêtegerechtigd was ten aanzien van de onderliggende vennootschap(pen)3 en/of (ii) de al dan niet (gemotiveerd) gestelde enquêtegerechtigdheid van de verzoeker dienaangaande door de verweerster(s) en/of (andere) belanghebbende(n) niet (langer) werd betwist of bestreden4 en (iii) de Ondernemingskamer – op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting – de verzoeker enquêtegerechtigd achtte, althans haar die enquêtegerechtigdheid als evenbedoeld (niet) (on)juist voorkwam, althans geen reden had daaraan te twijfelen, dan wel niet (steeds) ambtshalve een bevoegdheidsbeoordeling als hier bedoeld verrichtte.5 Deze beschikkingen laat ik daarom in het navolgende buiten beschouwing.
Eveneens buiten beschouwing laat ik bepaalde beschikkingen waarin de Ondernemingskamer (volstond met het) oordeel(de) dat de verzoeker (voorshands) in zijn verzoek kon worden ontvangen, nu zonder toelichting, die ontbrak, ik niet (geheel) weet waarom, inzonderheid met betrekking tot zijn enquêtebevoegdheid ter zake van de onderliggende vennootschap(pen).6
Hetzelfde geldt voor de Agri-beschikking, waarin de Ondernemingskamer oordeelde dat het verzoek om een onderzoek bij een van de onderliggende vennootschappen niet was toegelicht en alleen al om die reden zou worden afgewezen,7 en de beschikking inzake S&R, waarin de Ondernemingskamer met betrekking tot twee onderliggende vennootschappen overwoog dat de verzoekster niet had toegelicht waarom het onderzoek zich ook daartoe zou moeten uitstrekken, reden waarom het te bevelen onderzoek niet mede daarop zou zien.8 Mij is, zonder nadere toelichting, die ontbrak, niet geheel duidelijk hoe deze twee beschikkingen moeten worden begrepen: werd in het verzoek ter zake met geen woord gerept over de enquêtebevoegdheid noch over gegronde redenen (leeg verzoek) of werd in het verzoek ter zake wél ingegaan op de enquêtebevoegdheid, maar níét (mede) op de gegronde redenen? 9(Mede) gezien deze onduidelijkheid, laat ik ook deze twee beschikkingen buiten beschouwing.
Het resterende deel van de beschikkingen10 zal worden besproken, en wel aldus. Eerst zal ik de beschikkingen die de Ondernemingskamer heeft gegeven vóór ’s Hogen Raads Landis-beschikking11, bespreken. Vervolgens komen de nadien gegeven beschikkingen aan bod, waarbij ik een onderscheid heb gemaakt tussen die waarin de verzoeker níét in zijn op een of meer onderliggende vennootschappen, van de vennootschap waarvan hij aandeel- of certificaathouder was, gericht enquêteverzoek kon worden ontvangen, en die waarin hij daarin (kennelijk) wél kon worden ontvangen. Centraal in deze paragraaf staan vragen als:
Dient de verzoeker te stellen dat (en toe te lichten waarom) hij (mede) enquêtegerechtigd is ten aanzien van een of meer te enquêteren onderliggende vennootschappen?
Toetst de Ondernemingskamer de enquêtebevoegdheid van aandeel- of certificaathouderszijde in concernverhoudingen ambtshalve of niet-ambtshalve?
Onderwerpt de Ondernemingskamer de beoordeling van de enquêtebevoegdheid ter zake aan een marginale toetsing of aan een volle toetsing?
Wat is de (beslissende) maatstaf voor de beoordeling van de enquêtebevoegdheid van houders van (certificaten van) aandelen in concernverhoudingen?
Stelt de Ondernemingskamer wanneer naar haar oordeel de verzoeker enquêtegerechtigd is ten aanzien van een of meer onderliggende vennootschappen, deze vervolgens (expliciet) gelijk aan een houder van (certificaten van) aandelen als bedoeld in art. 2:346, eerste lid, onderdeel b of c, BW?
Is de Ondernemingskamer na de voornoemde Landis-beschikking de op dochtermaatschappijen gerichte enquêteverzoeken op het punt van de enquêtebevoegdheid anders gaan toetsen en, zo ja, hoe?
Blijft de Ondernemingskamer bij de beoordeling van de enquêtebevoegdheid in concernverhoudingen steken in het noemen van een criterium, al dan niet in de vorm van een schakel uit ’s Hogen Raads Landis-beschikking, of kleurt zij dat ook feitelijk in?
In § 7.3 worden deze vragen van antwoord voorzien.