Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.1.1.2:4.3.1.1.2 Betaling aan een derde
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.1.1.2
4.3.1.1.2 Betaling aan een derde
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS501482:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De derde die in de plaats van de schuldeiser bevoegd is de betaling te ontvangen, haal ik hierna gemakshalve aan als de ‘gevolmachtigde’.
De ware schuldeiser heeft vervolgens wel een verhaalsrecht op de derde-ontvanger (art. 6:36 BW).
Dit zou anders zijn als de derde een dienst zou hebben verricht aan de betaler.
Vgl. art. 13 Wet OB 1968 en Hof Arnhem 18 november 1982, BNB 1984/68.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Civielrechtelijk kader
Onder omstandigheden kan een schuldenaar aan een ander dan de schuldeiser bevrijdend betalen. Het gaat hierbij in de eerste plaats om een ander, die in plaats van de schuldeisers bevoegd is de betaling te ontvangen. Hierbij kan worden gedacht aan iemand die volmacht van de schuldeiser heeft tot het in ontvangst nemen van betalingen of de curator in een faillissement van de schuldeiser (art. 68 Fw).1 In de tweede plaats kan betaling plaatsvinden aan een ander dan degene die in plaats van de schuldeisers bevoegd is de betaling te ontvangen. Hiervoor zijn met name art. 6:32-6:34 BW van belang. In deze artikelen wordt met zoveel woorden bepaald dat betaling aan een ander dan de schuldeiser of diens gemachtigde de schuldenaar bevrijdt, ingeval:
de schuldeiser de betaling heeft bekrachtigd of erdoor is gebaat (6:32 BW); of
de schuldenaar op redelijke gronden heeft aangenomen dat de derde-ontvanger als schuldeiser tot de betaling gerechtigd was of dat uit anderen hoofde aan hem moest worden betaald (6:34 BW).2
In het tweede geval kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een betaling aan de oorspronkelijke schuldeiser, nadat deze zijn vorderingen heeft gecedeerd of de vordering bij wijze van subrogatie op een ander is overgegaan.3
Overeenkomstig hetgeen ik hiervoor – bij de betaling door een derde – heb overwogen, zou een betaling aan de gevolmachtigde van de schuldeiser kunnen worden aangehaald als een ‘betaling aan de schuldeiser’ en zou een betaling aan een ander dan de schuldeiser of diens gemachtigde kunnen worden aangeduid als een ‘betaling aan een derde’.
Fiscaalrechtelijk kader
Anders dan bij de betaling door een derde, volgt uit de Btw-richtlijn niet zonder meer dat betaling ook aan een derde kan plaatsvinden. Art. 73 Btw-richtlijn voorziet immers enkel in een betaling door een derde. Omdat de Btw-richtlijn niet expliciet stelt dat (ook) btw verschuldigd is over bedragen die aan een ander dan de leverancier (moeten) worden betaald, komt het mij voor dat over aan derde verschuldigde bedragen in principe geen btw verschuldigd is en aan art. 29 Wet OB 1968 in zoverre niet wordt toegekomen.4 Immers: van een verlaging van de maatstaf van heffing kan dan geen sprake zijn.
Van deze situatie moet worden onderscheiden het geval waarin de schuldenaar het door hem aan de leverancier verschuldigde bedrag aan een ander dan de leverancier betaalt. De maatstaf van heffing is in dat geval een gegeven. De vraag is dan of een dergelijke betaling ervoor zorgt dat niet (langer) sprake is van niet-betaling in de zin van art. 90 lid 1 Btw-richtlijn c.q. art. 29 lid 1 Wet OB 1968 (vanaf 2017), zodat voor een correctie van de maatstaf van heffing geen plaats is. Dat betalingen aan een derde ertoe kunnen leiden dat de vergoeding geacht moet worden te zijn betaald, blijkt uit HR 18 december 1991, BNB 1992/131. Daarin betrof het een werknemer van een autoverkoopbedrijf, die de koopprijzen inde ter zake van door hem namens het autobedrijf verkochte auto’s, zonder daartoe bevoegd te zijn. In het geding was op welk tijdstip de autohandelaar de btw op grond van het kasstelsel5 verschuldigd werd. De Hoge Raad komt tot de conclusie dat het autobedrijf de btw bij ontvangst van de koopprijzen door de werknemer verschuldigd is geworden en de vergoeding derhalve geacht moet worden te zijn betaald:
“3.3. Het Hof heeft immers [met juistheid; BH] geoordeeld dat niet gesteld en evenmin aannemelijk is dat de kopers wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden, dat zij de koopprijs van de auto, die hun door B [de werknemer; BH] was verkocht, niet rechtsgeldig aan deze zouden kunnen betalen, en veeleer aannemelijk is dat B ten opzichte van de kopers namens de BV [het autobedrijf; BH] heeft gehandeld, zowel wat betreft de verkoop van de auto als wat betreft de inning van de koopprijs. In dit oordeel ligt besloten dat het Hof aannemelijk heeft geacht dat de BV door B namens haar te laten optreden als vorenomschreven, jegens die kopers de schijn heeft gewekt dat zij rechtsgeldig aan deze zouden kunnen betalen, zodat deze kopers, afgaande op deze schijn van bevoegdheid van B, door hun betaling van de koopsom aan hem jegens de BV zijn gekweten.”
Ook in dit arrest trekt de Hoge Raad een parallel naar het civiele recht. Aangenomen moet worden dat een betaling aan een derde tot voldoening van de vergoeding strekt, indien en voor zover de afnemer jegens de leverancier wordt gekweten. Het komt mij dan ook voor dat, wanneer een door de afnemer verrichte betaling door een derde wordt onderschept en de afnemer desondanks wordt gekweten jegens de leverancier in de situatie waarin btw verschuldigd is geworden op grond van het factuurstelsel,6 aan toepassing van art. 29 Wet OB 1968 niet wordt toegekomen. Mijns inziens ligt bij kwijting ook meteen de grens. Wordt de debiteur niet gekweten van zijn schuld, dan kan betaling aan een derde ook niet worden aangemerkt als een voldoening van de schuld. Art. 29 Wet OB 1968 kan dan wel toepassing vinden.