Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.3.1.3
4.3.1.3 Relevante karaktereigenschappen
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661353:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Van Triet 2021, p. 182-183.
Vgl. Geppaart 1984, p. 487;conclusie Staatsraad A-G Wattel 20 maart 2019, nr. 201802496/2/A1 Bijlage 2, punt 2.16; Happé 1996, p. 172, 177; Poelmann, in: Cursus Belastingrecht FBR.4.3.3.0 (bijgewerkt tot 12 december 2021); HR 19 december 1990, nr. 25.957, BNB 1991/77 (‘de vraag van belanghebbende aan de Inspecteur had niet slechts betrekking op een inlichting in algemene zin omtrent de geldende wettelijke bepalingen, doch hield in een verzoek om een toezegging met betrekking tot (…))’; Rechtbank Den Haag 16 september 2020, nr. SGR 20/2516, r.o. 10 (‘algemene, voorlichtende informatie’), Hof 's-Gravenhage 8 oktober 1996, nr. 95/2428, V-N 1997/2797, 4 (‘algemeen informatieve karakter’). Vgl. Hof 's-Hertogenbosch 14 oktober 2021, nr. 20/00591, V-N 2022/2.22.8, r.o. 4.5: ‘De hoofdtaak van de Belastingtelefoon is het geven van voorlichting en inlichtingen van algemene aard.’ Rechtbank Noord-Holland 14 december 2020, nr. AWB - 20_464, V-N 2021/28.2.1, r.o. 19: ‘De informatie op de website van de Belastingdienst (…) is algemeen van aard en kan niet worden aangemerkt als een uitdrukkelijke standpuntbepaling door verweerder.’
Zie r.o. 12 van rechtbankuitspraak in BNB 2022/10, waarin de Rechtbank wijst op het ‘voorlichtende karakter’ van uitingen van de BelastingTelefoon.
Hof 's-Gravenhage 8 oktober 1996, nr. 95/2428, V-N 1997/2797, 4, r.o. 4: ‘(…) Dat in de toelichting niet staat vermeld dat er nog andere eisen worden gesteld, wil van aftrekbare kosten sprake zijn, kan er niet toe leiden dat belanghebbende zich met succes beroept op bij hem door die toelichting opgewekt in rechte te beschermen vertrouwen. Gegeven het algemeen informatieve karakter en de noodzakelijkerwijs beperkte omvang ervan, resulterend in een in het onderhavige geval globaal juiste, maar niet geheel volledige weergave van de wettelijke regeling ter zake, kan van een vertrouwen als voormeld geen sprake zijn. (…).’ Zie ook Van Nispen tot Sevenaer in FED 1990/231, punt 3.5.
HR 16 mei 2008, nr. 42151, BNB 2008/200, r.o. 3.5 en punt 4.6 van de conclusie van A-G Van Ballegooijen en zie r.o. 4.9.4 van hofuitspraak (‘bedoeld is als voorlichting en geen toezeggingen of goedkeuringen bevat voor specifieke situaties’); Schut 1974, p. 817-818 legt in zijn omschrijving van een inlichting de nadruk op het doel van informatieoverdracht.
HR 18 juni 2004, nr. 39385, BNB 2004/314, r.o. 6.4 van de hofuitspraak (‘(…) het doel van de Toelichting is slechts om belastingplichtigen behulpzaam te zijn bij het invullen van de aangifte, het gaat daarom te ver om op grond van de Toelichting de Inspecteur gebonden te achten aan een onjuiste wetstoepassing.’)
Zie in BNB 2008/200, r.o. 3.5 en punt 4.6 van de conclusie van A-G Van Ballegooijen.
Zie in BNB 2008/200, r.o. 4.9.4 van de hofuitspraak; BNB 2010/314, r.o. 3.3.3 (‘een voor algemeen gebruik opgesteld aanvraagformulier waarin voorlichting wordt gegeven in verband met de invulling van dat formulier’).
BNB 1988/148 (‘ter vergemakkelijking van het invullen van een aangiftebiljet’); zie ook BNB 1990/148; Rechtbank Gelderland 7-september 2016, AWB - 16 _ 1247, V-N 2016/57.18.6, r.o. 13; Rechtbank Noord-Nederland 17 september 2013, nr. AWB-13, 970, V-N Vandaag 2013/2234, r.o. 4.10.
BNB 2010/314 en BNB 2010/315, r.o. 3.3.3; Rechtbank Den Haag 16 september 2020, nr. SGR 20/2516, V-N 2021/2.2.2, r.o. 10 (algemene, voorlichtende informatie). Zie ook het commentaar van Brunt in BNB 1986/279, punt 2: ‘De bedoelde toelichting heeft in wezen geen andere functie dan het bieden van een helpende hand bij het gereedmaken van een aangifte. Daarin wordt onder meer ingegaan op de betekenis van bepaalde bewoordingen, tevens wordt gewezen op wettelijke regels welke in acht moeten worden genomen, zij het dat zoveel mogelijk een minder formeel woordgebruik wordt aangewend.’
Rechtbank Noord-Holland 14 december 2020, nr. AWB - 20 _ 464, V-N 2021/28.2.1 (r.o. 19: ‘De informatie op de website van de Belastingdienst dient ter voorlichting (…)’.
BNB 2002/45 (extra service); Vgl. Damen 2018, p. 23-25 (hulpmiddel, service).
Hof 's-Hertogenbosch 6 mei 2021, nr. 20/00273 tot en met 20/00277, V-N 2021/35.1.8, r.o. 4.6 (o.v.n. r.o. 4.25 rechtbankuitspraak) en 4.7.
Zie in HR 16 mei 2008, nr. 42151, BNB 2008/200 bij r.o. 4.9.4 van de hofuitspraak (‘bedoeld (…) als voorlichting’). Zie paragraaf 4.3.2.6(4).
R.o. 6.4 van de hofuitspraak in HR 18 juni 2004, nr. 38 747, BNB 2004/315.
Zie afgezet tegen beleid in paragraaf 4.4.1, afgezet tegen toezeggingen paragraaf 4.5.1.
HR 25 april 2003, nr. 37977, V-N 2003/25.3, r.o. 4.13. Zie ook Hof ’s-Gravenhage 4 maart 1991, nr. 2320/90, V-N 1991/2179, 6, r.o. 8; Hof Leeuwarden 7 februari 2012, nr. BK 10/00338, V-N 2012/21.28.1, r.o. 4.4; R 29 januari 2021, nr. 20/01427, BNB 2021/76, r.o. 4.2.2-4.2.3 en r.o. 12 van de rechtbankuitspraak; HR 7 juli 2017, nr. 16/04904, NTFR 2017/1766.Vgl. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14 maart 2014, nr. AWB-13_4870, V-N 2015/1009, r.o. 2.14: ‘(…) overweegt de rechtbank dat aan de informatie verstrekt door de belastingtelefoon in het algemeen niet een zodanig vertrouwen kan worden ontleend dat een juiste wetstoepassing moet wijken voor het beginsel dat een belastingplichtige op inlichtingen van de belastingdienst moet kunnen vertrouwen.’ Zie over kwalificatie van uitingen via de BelastingTelefoon als toezegging paragraaf 4.5.1.
BNB 2022/10, r.o. 4.2.1-4.2.5; BNB 2021/76, r.o. 2.4.2-2.4.3; In HR 18 september 2020, nr. 19/03974, V-N 2020/54.3 (inkomsten uit tijdelijke verhuur tuinhuis bij eigen woning toch belast in box 1) r.o. 2.5.2; Rechtbank Den Haag 16 september 2020, nr. SGR 20/2516, NTFR 2021/88, r.o. 10 (‘algemene, voorlichtende informatie’ op de website); Rechtbank Noord-Holland 14 december 2020, nr. AWB - 20_464, V-N 2021/28.2.1, r.o. 19.
HR 23 juni 1982, nr. 21 172, BNB 1982/236 (hulp bij aangifte door inspecteur, waarbij een voorbehoud is gemaakt); Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27 december 2019, nr 17/1660, V-N 2019/26.19 (bij huba is voorbehoud gemaakt), Rechtbank Breda 17 juli 2012, nr. 12/2048, V-N 2012/56.4 (bij huba is foutief bedrag ingevuld).
BNB 1988/148; BNB 2010/314; Hof Arnhem-Leeuwarden 3 februari 2015, nr. 13/01089, V-N 2015/25.19.23, r.o. 4.5. (toelichting aangifteprogramma); vgl. de redactie in V-N 1997/2797, 4.
Informatie op de Website bevatte geen toezegging in HR 18 september 2020, nr. 19/03974, V-N 2020/45.3, r.o. 2.5.2 en zie conclusie A-G Niessen onder punt 4.5 (algemene informatie); HR 16 mei 2008, nr. 42151, BNB 2008/200, r.o. 3.5 en punt 4.6 van de conclusie van A-G Van Ballegooijen; HR 11 december 1985, nr. 23 242, BNB 1986/42 (‘Bedoelde toelichting, die is gegeven ter voorbereiding van de discussie in de gemeenteraad (…), behelst niet een algemene tot de belastingplichtigen gerichte uitlating waaraan zij in de uitvoeringssfeer vertrouwen mogen ontlenen’); HR 29 juni 1994, nr. 29 913, BNB 1994/265 (brochure was volgens Hoge Raad geen ‘mededeling’); HR 12 maart 1980, nr. 19573, BNB 1980/115 (op aanslagbiljet, ‘geen sprake (…) van een ondubbelzinnige mededeling’); BNB 2010/314, r.o. 3.3.3: ‘(…) de mededeling op het aanslagbiljet (…). Ook daarbij is slechts sprake van algemene voorlichting.’ In de literatuur worden dergelijke mededelingen wel onder voorlichting geschaard, bijv. Van Leijenhorst in BNB 2002/45, redactie in V-N 2001/4.1; Van der Geld in FED 1985/576.
Welke eigenschappen zijn in de regel beslissend om uitingen te kwalificeren in de categorie voorlichting? Uit de rechtspraak leid ik af dat met name aard, karakter, oogmerk (intentie), functie en context van de informatieverstrekking relevant zijn.
Aard en karakter
Typisch kenmerk van voorlichting is dat het gaat om informatie van algemeneaard over de inhoud en uitleg van fiscale wet- en regelgeving (‘abstract’). De informatie bevat geen standpunt over de uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid in een specifiek geval.1 Anders dan bij bijvoorbeeld een toezegging, is informatie niet toegesneden op een concreet geval en ziet het niet op de bijzondere omstandigheden van een concrete, individuele situatie (‘concreet’).2 De relevantie van deze eigenschap werd reeds in BNB 1979/311 op de voorgrond gezet, omdat de Hoge Raad in dit arrest de (concrete) toezegging tegenover de (algemene) inlichting plaatst. Bovendien heeft voorlichting volgens de belastingrechter een specifiek karakter, namelijk een ‘voorlichtend karakter’.3 Oftewel, de informatie is veelal relatief beknopt en minder juridisch geformuleerd, en daardoor – zo is de kennelijke gevolgtrekking – onvermijdelijk niet altijd volledig en/of juist.4
Intentie Belastingdienst en functie voorlichting
De belastingrechter kent veel gewicht toe aan de (veronderstelde) bedoeling van de Belastingdienst en de (veronderstelde) functie die de informatie heeft (paragraaf 4.3.2.6). Zo valt in de jurisprudentie op dat de Belastingdienst volgens de belastingrechter met voorlichting beoogt te informeren5, behulpzaam te zijn6, wegwijs te maken7, uitleg te geven,8 het gemakkelijker te maken9, een hulpmiddel10 te bieden, informatie ‘ter voorlichting’11 te geven en (extra) service te verlenen.12 Aan de BelastingTelefoon verstrekken medewerkers in bepaalde gevallen “slechts ‘voorgekauwde’ informatie”.13 De Belastingdienst, zo beslist de belastingrechter, beoogt met algemene voorlichting dus (slechts) voorlichting te geven en beoogt zich (anders dan bij een toezegging, paragraaf 4.4) niet te binden.14 Het gebrek aan binding(sbedoeling) wordt mijns inziens door de belastingrechter onderstreept door aan de kwalificatie toe te voegen dat het ‘slechts’ voorlichting betreft (paragraaf 4.3.1.4).
Een treffend voorbeeld over de koppeling tussen het doel van voorlichting en het gebrek aan binding biedt een uitspraak van Hof Den Haag uit 2001:
‘Hoewel aan belanghebbende kan worden nagegeven dat de Toelichting op dit punt uitgesproken onduidelijk is en niet in de weg staat aan zijn interpretatie, verwerpt het Hof het beroep op opgewekt vertrouwen om de volgende redenen: [-] dat daadwerkelijk aan het zogenoemde dispositievereiste is voldaan, is onvoldoende aannemelijk gemaakt door belanghebbende, en [-] het doel van de Toelichting is slechts om belastingplichtigen behulpzaam te zijn bij het invullen van de aangifte, het gaat daarom te ver om op grond van de Toelichting de Inspecteur gebonden te achten aan een onjuiste wetstoepassing.’15
In de jurisprudentie wordt voorlichting met name gekoppeld aan de informatie-, hulp- en dienstverleningsfunctie. Opvallend is dat in de rechtspraak de rechtszekerheidsfunctie en compliancefunctie van voorlichting nagenoeg buiten beeld blijven (paragraaf 2.3.4, 2.5.1). Dat roept de vraag op of de door de belastingrechter gehanteerde veronderstellingen over de functie van voorlichting voldoende aansluiten bij de rechtsstatelijke functies van voorlichting en de wijze waarop voorlichting in de praktijk van belastingheffing functioneert (paragraaf 2.3.4, 4.7, 6.2).
Context: wijze van informatieverstrekking
Uit de jurisprudentie leid ik af dat de belastingrechter vaak (expliciet of impliciet) een aanwijzing ziet in de context van de informatieverstrekking. Specifiek gaat het daarbij om het kanaal waarlangs en/of de vorm waarin voorlichting wordt verstrekt.16 Dit vormt een sterke aanwijzing voor de juridische kwalificatie van informatie als voorlichting. Illustratief is een uitspraak van Hof Den Bosch, waarin vertrouwen gewekt via de BelastingTelefoon niet wordt gehonoreerd:
‘Uitlatingen van de "Belastingtelefoon" zijn immers in het algemeen slechts aan te merken als inlichtingen en niet als de inspecteur bindende toezeggingen.’17
In veel gevallen kwalificeert de belastingrechter uitingen op de website18, tijdens hulp bij aangifte19 of in toelichtingen (bijvoorbeeld bij het aangifteprogramma, -biljet of formulieren)20 als voorlichting. Soms past de belastingrechter een ‘negatieve’ benadering toe: een uiting wordt dan ‘gediskwalificeerd’ als toezegging.21
Het is niet steeds mogelijk een scherp onderscheid te maken tussen enerzijds voorlichting en anderzijds andere categorieën uitingen, zoals toezeggingen of beleid. Op deze ‘afbakeningsproblematiek’ kom ik vanwege de grote relevantie ervan voor toepassing van het vertrouwensbeginsel apart terug (paragraaf 4.6).