Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/6.3.6.5
6.3.6.5 Praktische aspecten van het redelijk alternatief criterium
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS373946:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Door vrijwillig bij te dragen in de kosten van nakoming, kan de schuldeiser de uitkomst van de 130%-richtlijn beïnvloeden, zie Müko/Ernst 2007, § 275, nr. 86; en Huber & Faust 2002, hfdst. 2, nr. 38 en 39.
Volgens Ernst dient de schuldenaar de omstandigheden te stellen, en bij betwisting te bewijzen, die nakoming onevenredig nadelig maken, alsmede het belang van de schuldeiser bij nakoming. Aangezien het laatste punt informatie betreft waarover in principe alleen de schuldeiser beschikt, kan de schuldenaar volgens Ernst volstaan met het stellen van de marktwaarde van de prestatie, zie Müko/Ernst 2007, § 275, nr. 162.
Zie par. 6.3.5.
Zie par. 6.3.6.
In zijn noot op HR 21 mei 1976, NJ 1977, 73. Uit een noot van Drion bij HR 9 mei 1969, NJ 1969, 338 leidt Scholten af dat Drion van mening zou zijn dat een verkoper het drievoudige van de verkoopprijs moet betalen. Deze stelling kan m.i. niet in de noot van Drion worden gelezen. Door de formulering van een retorische vraag relativeert Drion slechts het oordeel van de Hoge Raad, dat nakoming voor de schuldenaar onmogelijk zou zijn nadat de verkoper zijn eigendomsrecht heeft verloren.
Fehre 2005, p. 51-52. Zowel Fehre als Huber & Faust 2002, hfdst. 2, nr. 68 e.v. differentiëren in vijf schalen naar de mate van verwijtbaarheid. Bij Fehre lopen de schalen op van 180% bij afwezigheid van schuld naar 220% bij bewuste opzet.
Schuldrecht/Medicus 2002, hfdst. 3, nr. 43; en BT-Drucks 14-6040, p. 131.
Voorbeeld ontleend aan Schlechtriem & Schmidt-Kessel 2005, nr. 480, p. 231.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2008 (6-I*), nr. 355.
Zo ook Schlechtriem 2004, p. 127-128. Ditzelfde geldt voor toerekening op grond van de wet, zoals aansprakelijkheid voor hulppersonen (art. 6:76). Schlechtriem geeft als voorbeeld dat een te vervoeren container op een niet aan de schuldenaar toe te rekenen oorzaak van het dek van zijn schip valt. In dat geval valt de afweging of nakoming in redelijkheid van de schuldenaar is te vergen op dezelfde manier uit als wanneer de container door de schuld van één van de hulppersonen van de schuldeiser van boord is gevallen en de niet-nakoming dus op grond van risico aan de schuldenaar kan worden toegerekend.
Zo ook Helm 2005, p. 108, die schrijft dat het toerekeningsgezichtspunt slechts van ondergeschikt belang is. In het kader van aanneming van werk, zie Staudinger/Peters 2003, § 635, nr. 10. Bij koop, zie Ball 2004, p. 224.
De stelplichten en bewijslasten van de 130%-richtlijn kunnen als volgt over de partijen worden verdeeld. Het ligt op de weg van de schuldenaar om te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat de kosten van nakoming hoger zijn dan 130% van het geobjectiveerde schuldeisersbelang 1 De schuldeiser zal het door de schuldenaar gestelde geobjectiveerde schuldeiserbelang gemotiveerd moeten betwisten.2 De schuldenaar dient voorts te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat hij minder dan 130% van het geobjectiveerde schuldeisersbelang hoeft te betalen, omdat nakoming inefficiënt is.3 De schuldeiser moet stellen, en indien nodig bewijzen, dat een redelijk alternatief voor nakoming ontbreekt.4 Indien de schuldeiser slaagt in zijn stelplicht en bewijslast dat geen redelijk alternatief voor nakoming aanwezig is, moet de schuldenaar ook nakomen als de kosten hoger dan 130% van het geobjectiveerde schuldeisersbelang zijn. De vraag rijst wanneer de schuldenaar in dat geval dan wél van zijn nakomingsverplichting is ontslagen.
In het geval van opzettelijke dubbele verkoop van een huis zou het volgens G.J. Scholten onredelijk zijn om van de verkoper drie maal de door de tweede koper betaalde koopprijs te vergen.5 Gesteld dat de door de tweede koper betaalde prijs overeenstemt met de objectieve waarde die de eerste koper aan de prestatie toekent, zou 300% als maximumgrens bij het ontbreken van een redelijk alternatief volgens Scholten dus teveel zijn. De hoogste grens die ik in de Duitse literatuur ben tegengekomen, is gesteld op 220% van het geobjectiveerde schuldeisersbelang.6 Als vertrekpunt zou deze grens wellicht enig houvast kunnen bieden, maar omdat voor dit percentage zelfs geen summiere onderbouwing kan worden gegeven, dient dit maximum met de nodige terughoudendheid te worden gehanteerd.
Bij de bepaling of schadevergoeding een redelijk alternatief voor nakoming is, speelt de mate van verwijtbaarheid een bescheiden rol. Een intentionele contractsbreuk kan door de schuldeiser als een ernstiger krenking worden ervaren dan wanneer de niet-nakoming niet aan de schuld van de schuldenaar is te wijten. Van de schuldenaar die verwijtbaar niet-nakomt kunnen in beginsel dan ook meer nakomingskosten worden gevergd dan van de schuldenaar die geen schuld heeft aan de niet-nakoming. Niet om de schuldenaar te straffen, maar omdat een schuldeiser bij een intentionele niet-nakoming een groter, immaterieel, belang bij nakoming kan hebben dan wanneer de niet-nakoming buiten de schuld van de schuldenaar is ontstaan. Zo zal een verhuurder die het verhuurde pand in brand steekt eerder jegens de huurder tot wederopbouw verplicht zijn dan wanneer het huis als gevolg van een blikseminslag is afgebrand7 Als een verkoper een schip verkoopt dat voor levering is gezonken, zal hij de bergingskosten tot 130% van het geobjectiveerde schuldeisersbelang moeten dragen. Indien echter een gelijkwaardig schip niet te verkrijgen is, brengt de uitzondering van het redelijk alternatief mee dat van de schuldenaar meer kan worden gevergd om na te komen. Is het zinken van het schip toe te rekenen aan de schuld van de schuldenaar, dan kunnen wellicht nog hogere kosten van de schuldenaar worden gevergd.8 Toerekening op grond van verkeersopvattingen leidt evenwel niet tot een verhoging van door de schuldenaar te overwinnen nadelen om na te komen. Geldgebrek bijvoorbeeld kan de schuldenaar krachtens verkeersopvattingen worden toegerekend,9 maar heeft geen invloed op de hoogte van de nakomingskosten die van hem kunnen worden gevergd.10 Aan het gezichtspunt van de intentionaliteit van de niet-nakoming komt mijns inziens echter slechts een beperkt gewicht toe.11