Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/4.8
4.8 De levering ter uitvoering van een verbintenis tot overdracht onder opschortende voorwaarde
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS401118:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Nieuwenhuis 1980, p. 81, Mezas 1985, p. 5, Faber 2007, p. 43, voetnoot 22, Verstijlen 2007, p. 825, Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 415, Reehuis 2013, nr. 15, Hijma & Olthof 2014, p. 97 en Asser/Van Mierlo3-VI 2016, nr. 527. Anders: O.K. Brahn, ‘Boekbespreking’, WPNR 1981 (5589), p. 890 (zie evenwel ook Brahn 1992b, p. 26-27), Mijnssen 1983, p. 348 en Bakels 1984, p. 482. Stolz 2015, p. 883, voetnoot 70 lijkt enigszins te twijfelen n.a.v. de parlementaire geschiedenis en op p. 895 is hij ten onrechte nog stelliger. Anders dan hij aanneemt is het niet de wetgever die in de door hem aangehaalde passage (V.V. II Inv., Parl. Gesch. Boek 3 BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 1236) twijfelt aan de zelfstandigheid van de leveringswijze van art. 3:91 BW, maar de vaste Commissie voor Justitie, die bovendien vooral het standpunt van de NVvR uit Trema 1984, p. 74 parafraseert. De passage op p. 1238 laat weinig duidelijkheid te wensen over. Aldaar wordt namelijk opgemerkt dat het wetboek kiest voor de constructie waarbij ‘voor een levering in geval van een eigendomsvoorbehoud de in artikel 3.4.2.5 lid 1 [art. 3:90 lid 1 BW; toevoeging EFV] gestelde eis van bezitsverschaffing zelf aangepast dient te worden.’ Niet erg zuiver is derhalve de opmerking in Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 568, alwaar te lezen valt dat bij een eigendomsvoorbehoud ‘wel een feitelijke maar geen juridische levering plaats[vindt].’ Zie in vergelijkbare zin T.H.D. Struycken, ‘Internet en de bescherming van een verkrijger van een roerende zaak krachtens art. 3:86 BW’, in: S.C.J.J. Kortmann e.a. (red.), Onderneming en 10 jaar nieuw burgerlijk recht, Deventer: Kluwer 2002, p. 219, volgens wie bij een eigendomsvoorbehoud ‘de leveringsformaliteit van feitelijke machtsverschaffing vooraf[gaat] aan de voltooiing van de levering.’ Met de feitelijke machtsverschaffing is de (juridische) levering namelijk voltooid.
Hiervoor is gebleken dat het voor de totstandkoming van de overdracht onder opschortende voorwaarde noodzakelijk is om terstond de leveringshandeling te kunnen verrichten, omdat de voltooiing van de leveringshandeling een vereiste is waaraan voldaan moet worden, alvorens de overdracht tot stand kan komen. Met het doel om ook bij een overdracht onder opschortende voorwaarde terstond de leveringshandeling te kunnen verrichten, is door de wetgever artikel 3:91 BW in de wet opgenomen. De bepaling bevat een zelfstandig, van artikel 3:90 BW leveringsvoorschrift, dat specifiek is toegesneden op de overdracht onder opschortende voorwaarde.1
In deze paragraaf wordt nader stilgestaan bij de achtergrond van artikel 3:91 BW. Allereerst wordt daartoe ingegaan op de ratio van de bepaling en de wijze waarop de levering in deze gevallen onder het oude recht geschiedde. Vervolgens wordt ingegaan op de noodzaak van de bepaling en de mogelijke alternatieven. Tot slot wordt aandacht besteed aan de vraag op welke wijze de machtsverschaffing van artikel 3:91 BW kan plaatsvinden.
4.8.1 Ratio van artikel 3:91 BW4.8.2 Intermezzo: de levering in het kader van een eigendomsvoorbehoud onder het Oud BW4.8.3 Mogelijke alternatieven4.8.4 De wijze waarop machtsverschaffing plaatsvindt