Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/9.7.2.2
9.7.2.2 Eenzijdige samenstelling van het procesdossier
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
HR 19 december 1995, NJ 1996, 249 (Zwolsman), m.nt. Schalken, r.o. 11.2.1.
Voor die tijd wordt gesproken van het ‘politiedossier’.
De processen-verbaal van de politie worden in de regel voorafgegaan door een zogenaamd loop-relaas, waarin alle onderzoeksresultaten en opgenomen verklaringen zijn samengevat.
In het civiele recht is het wel gebruikelijk dat partijen voorafgaand aan de terechtzitting zelf overgaan tot het horen van de ‘eigen’ getuigen. Zie in dit verband ook de gedragscode voor advocaten. Regel 16 lid 2 van de Gedragsregels 1992 schrijft voor dat in strafzaken de advocaat zich dient te onthouden van het horen van getuigen die door het Openbaar Ministerie reeds zijn opgeroepen of gedagvaard.
HR 20 juni 2000, NJ 2000, 502. Het relevantiecriterium is met de inwerkingtreding van de Wet herziening regels betreffende de processtukken, Stb. 2011, 601 in artikel 149a lid 2 Sv opgenomen.
De officier moet de zaak op een zeker moment wel ‘pro forma’ aanbrengen, als hij het noodzakelijk acht dat verdachte in voorlopige hechtenis blijft.
Dat wil vanzelfsprekend niet zeggen dat er niet meer ontlastende informatie is. Het is immers goed mogelijk dat ontlastende informatie door de politie als zodanig niet is herkend en daarom niet in het dossier is opgenomen of de politie daar niet naar heeft gezocht.
Zie voor een beschrijving van deze ontwikkeling het proefschrift van Van der Meij (2010).
Kamerstukken II 2009/10, 32 468, nr. 3 (MvT), p. 3.
Kamerstukken II 2009/10, 32 468, nr. 3 (MvT), p. 2.
Zie ook Mul 2013, p. 196-197.
Kamerstukken II 2009/10, 32 177, nr. 3 (MvT), p. 24.
Uit het voorgaande blijkt dat het procesdossier een dominante rol heeft in het strafproces. Immers, uit het dossier wordt door de officier van justitie de tenlastelegging afgeleid die vervolgens de inzet vormt voor het onderzoek ter terechtzitting. De inhoudelijke behandeling ter terechtzitting vindt – als gezegd – in hoofdzaak plaats op basis van de stukken in het dossier en de rechter kan hieruit voor het bewijs vrijwel onbeperkt putten zonder dat hij verplicht is de originele informanten ter terechtzitting te horen. Vanwege de grote stempel die het dossier drukt op de wijze van procederen, is het van belang om te kijken hoe en onder wiens verantwoordelijkheid dat dossier tot stand wordt gebracht.
De vorming van het dossier begint bij de politie. Op opsporingsambtenaren rust op grond van artikel 152 Sv een verbaliseringsplicht: zij dienen ten spoedigste proces-verbaal op te maken van ‘het door hen opgespoorde strafbare feit of hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden’. Het opmaken van proces-verbaal mag slechts dan achterwege blijven indien de opsporingsambtenaar van oordeel is dat hetgeen door hem is verricht of bevonden ‘redelijkerwijs niet van belang kan zijn voor enige door de rechter in het eindonderzoek te nemen beslissing’. Indien van een bepaalde verrichting of bevinding geen proces-verbaal wordt opgemaakt, moet dit wel worden vastgelegd opdat ‘doeltreffend kan worden gereageerd op een verzoek van een rechter in het eindonderzoek tot nadere verantwoording omtrent dat gedeelte van het opsporingsonderzoek’.1 Aangezien het accent voor wat betreft de bewijsvergaring ligt in het opsporingsonderzoek, is de in artikel 152 Sv neergelegde verbaliseringsplicht van groot belang voor de volledigheid van de processtukken en de bruikbaarheid van het dossier.
De verantwoordelijkheid voor de vorming en samenstelling van het dossier in het vooronderzoek ligt bij de officier van justitie. Het procesdossier komt tot stand op het moment dat de politie de eerste processen-verbaal aan de officier van justitie stuurt en deze op het parket worden geregistreerd onder een (uniek) parketnummer.2 Hoewel de verantwoordelijkheid bij de officier van justitie ligt, is hij in de praktijk in grote mate afhankelijk van de politie. Feitelijk is het immers de politie die het onderzoek verricht en de resultaten daarvan neerlegt in processen-verbaal.3
De verdediging heeft nauwelijks een zelfstandige rol bij de vorming en samenstelling van het dossier. Het is namelijk niet gebruikelijk dat de verdediging veel eigen onderzoek doet. Het feitenonderzoek wordt nog altijd hoofdzakelijk van overheidswege verricht. Het komt echter wel steeds vaker voor dat de verdediging inbreng levert in de vorm van concrete onderzoeksresultaten, maar dan moet vooral worden gedacht aan deskundigenonderzoek dat de verdediging op eigen initiatief heeft laten verrichten. Als het echter gaat om getuigen dan zal de verdediging deze in de regel niet zelf op eigen gezag gaan ondervragen, maar zal zij een verzoek doen bij de officier van justitie of de rechter(-commissaris) om de getuige te laten horen.4 De verdediging kan wel op eigen initiatief getuigen meebrengen naar het onderzoek ter terechtzitting, opdat de rechter hen hoort. De verdediging kan tevens verzoeken om bepaalde stukken in het dossier te laten opnemen. Dergelijke verzoeken worden door de rechter getoetst aan de hand van het zogenaamde relevantiecriterium. De lijn van de Hoge Raad is dat in het dossier alle stukken dienen te worden gevoegd ‘die redelijkerwijze van belang kunnen zijn hetzij in voor de verdachte belastende hetzij in voor hem ontlastende zin’.5 Hieronder valt niet alleen materiaal dat rechtstreeks voor het bewijs kan worden gebruikt, maar ook gegevens noodzakelijk voor de toetsing van de kwaliteit van dat bewijsmateriaal.
De mate van compleetheid van het dossier hangt af van de onderzoeksfase. In de fase van de opsporing wordt er telkens informatie aan het dossier toegevoegd. De rechter(-commissaris) die beslist over de voorlopige hechtenis moet zijn beslissing daarover baseren op de informatie die op dat moment beschikbaar is. In de fase van de berechting dient het dossier in beginsel alle informatie te bevatten die relevant is voor de door de rechter te nemen beslissingen. De officier van justitie zal zijn best doen om een in zijn ogen zo compleet mogelijk dossier aan te leveren, opdat de rechter de zaak niet hoeft aan te houden voor het doen van aanvullend onderzoek naar de feiten of de persoonlijkheid van de verdachte. Indien de officier van justitie meent dat de zaak nog niet rijp is voor afdoening of niet tot een veroordeling zal leiden, dan zal hij deze in beginsel (nog) niet voor een inhoudelijke behandeling aanbrengen respectievelijk seponeren.6 Als uitgangspunt geldt dat de zittingsrechter alle informatie die hij nodig heeft om tot een beslissing te komen, kanten-klaar krijgt aangereikt. Hoewel in het dossier zowel belastende als ontlastende informatie is opgenomen, zal de hoeveelheid belastende informatie in de regel overheersen, omdat de officier van justitie in de meeste gevallen anders niet tot vervolging zou zijn overgegaan.7
Als het gaat om de vorming en samenstelling van het dossier zoals dat voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting aan de rechter wordt voorgelegd, dan komt veel macht toe aan de officier van justitie. Hij bepaalt niet alleen wat ten laste wordt gelegd, maar is tevens in belangrijke mate verantwoordelijk voor de samenstelling van het dossier en daarmee het aanleveren van de stukken waarop de rechter zijn beslissing zal baseren. Deze verantwoordelijkheid is in de afgelopen decennia groter geworden door marginalisering van het gerechtelijk vooronderzoek en de uitholling van de rol van de rechtercommissaris als onafhankelijke rechterlijke autoriteit in het vooronderzoek, die waakt over de evenwichtige samenstelling van het dossier.8 Met de inwerkingtreding van de Wet herziening processtukken is de verantwoordelijkheid van de officier van justitie voor de dossiervorming in het vooronderzoek wettelijk verankerd in artikel 149a van het Wetboek van Strafvordering, maar is ook een toezichthoudende rol voor de rechter-commissaris gecreëerd doordat hij wordt betrokken bij het effectueren van het inzagerecht van de verdachte en bij de besluitvorming inzake het al dan niet voegen van stukken bij de processtukken en het verstrekken van afschriften.9 Hiermee wordt tevens door de wetgever beoogd de rechtspositie van de verdachte bij de samenstelling van het procesdossier te versterken.10
Met het accentueren van de toezichthoudende rol van de rechter-commissaris wordt de macht van de officier van justitie ingeperkt, maar de vraag is of de rechter-commissaris in staat zal zijn om in dit opzicht een wezenlijke rol van betekenis te gaan spelen.11 In de memorie van toelichting wordt namelijk ook erkend dat het ambtshalve uitoefenen van toezicht op de voortgang en de volledigheid van het opsporingsonderzoek vooral van belang is in die gevallen waarin de rechter-commissaris reeds onderzoekshandelingen heeft verricht, omdat hij bij de meeste opsporingsonderzoeken immers niet meer rechtstreeks betrokken is.12 Wil de rechter-commissaris zijn toezichthoudende taak goed vervullen, dan is van belang dat hij daartoe ook de middelen krijgt. Het moge in ieder geval duidelijk zijn dat een evenwichtige en onafhankelijke samenstelling van het dossier van groot belang is voor de kwaliteit van het rechterlijk beslisproces.