Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel
Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/8.3.3.b:8.3.3.b Einde van het hoorrecht
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/8.3.3.b
8.3.3.b Einde van het hoorrecht
Documentgegevens:
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362989:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II, 1990/91, 21 221, nr. 5, MvA, p. 97.
HR 15 mei 2009, nr. 08/00437, NTFR 2009/1114, r.o. 3.3.
Hof Amsterdam 25 januari 2011, nr. 08/01291 tot en met 08/01294, NTFR 2011/461.
Zie de Conclusie van A-G Ettema van 12 juli 2017 bij HR nr. 16/02793, NTFR 2017/2191, onder 5.7 e.v.; Hof Arnhem-Leeuwarden 19 april 2016, nrs. 11/00447 en 11/00448, NTFR 2016/1458.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het kenbaarmakingsbeginsel is niet meer van toepassing zodra het bezwarende besluit is vastgesteld (paragraaf 5.3.2). Bij de aanslagbelasting wordt het bezwarende besluit vastgesteld door het vaststellen van een aanslag, bij de aangiftebelasting door het vaststellen van een naheffingsaanslag, of indien bezwaar wordt gemaakt tegen de voldoening of afdracht op aangifte door het vaststellen van de uitspraak op bezwaar. Bij besluiten op aanvraag eindigt de werking van het kenbaarmakingsbeginsel met het vaststellen van de beslissing op de aanvraag.
Daarnaast kan het kenbaarmakingsbeginsel eindigen doordat de belanghebbende afstand doet van zijn hoorrecht. Ten aanzien van deze situatie bevat de Awb ook bepalingen. Een bestuursorgaan kan van het horen in de bezwaarfase afzien als de belanghebbende heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het hoorrecht.1 Een belanghebbende kan een dergelijke verklaring expliciet en impliciet geven. Als de belanghebbende niet binnen een redelijke termijn reageert op een schriftelijke uitnodiging kan dit kwalificeren als het afzien van het horen.2 Bij twijfel is de inspecteur verplicht de belanghebbende in de gelegenheid te stellen een standpunt kenbaar te maken.3 Van twijfel is bijvoorbeeld sprake als de belanghebbende aangeeft te willen worden gehoord en vervolgens niet reageert op de brief waarin de inspecteur belanghebbende verzoekt om contact op te nemen om een afspraak voor een hoorzitting te maken.4 Als vast komt te staan dat de belanghebbende geen gebruik wil maken van zijn recht, dan behoeft een bestuursorgaan de belanghebbende niet meer in de gelegenheid te stellen een standpunt kenbaar te maken. Daarbij is niet voldoende dat een belanghebbende slechts een aankondiging krijgt van het voornemen een bezwarend besluit te nemen waarin de mogelijkheid te reageren niet is opgenomen.5