Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/7.2.3
7.2.3 Mogelijkheid van derivatieve eigendomsverkrijging
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS394926:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 291 en stelliger H.J. Snijders, Modellen voor de rechtspraktijk,nr. I.3.4.46.10, voetnoot 2 en 12.
Spath 2012, p. 329-334.
Spath 2012, p. 330.
Zo ook Brahn 1984, p. 28, Vriesendorp 1985a, p. 108, Mezas 1985, p. 78-79, Kortmann 1998, p. 140, Verstijlen 2006, p. 1189, Bartels 2007, p. 9, Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 967 en Asser/Van Mierlo 3-VI 2016, nr. 534 en nr. 539.
Eenzelfde tegenstrijdigheid ligt in omgekeerde zin besloten in de opvatting van Kortmann 1998, p. 140. Volgens hem kan aan de originaire eigendomstoewijzing aan de verkoper niet afdoen dat sprake is van eigendom met een zekerheidskarakter, terwijl hij dat wel als een onontkoombaar bezwaar beschouwt tegen de overdracht van de nieuw gevormde zaak aan de verkoper. Zoals Bartels 2007, p. 10 terecht opmerkt, speelt juridische techniek dan wel een erg prominente rol, terwijl niet goed valt in te zien waarom de aard van de verkrijging beslissend zou zijn, wanneer het – zowel voor art. 3:84 lid 3 BW als voor art. 5:16 BW – aankomt op het zekerheidskarakter van de eigendomsverkrijging.
HR 19 mei 1995, NJ 1996, 119 m.nt. W.M. Kleijn (Keereweer q.q./Sogelease). Vgl. ook Fesevur 2005, p. 246.
HR 18 november 2005, NJ 2006, 151 (BTL Lease/Van Summeren), rov. 3.5.2
In de literatuur is door een aantal auteurs betoogd dat de koper de zaak weliswaar niet vormt voor de verkoper, maar dat het wel mogelijk is dat de koper de zaak vervolgens overdraagt aan de verkoper. Zo merkt Snijders op dat sinds het Sogelease-arrest meer ruimte lijkt te bestaan voor een dergelijke overdracht, nu bezwaarlijk kan worden gezegd dat de overdracht enkel strekt tot verhaal.1 Spath heeft zich daarbij aangesloten en daaraan bovendien een uitgebreidere onderbouwing ten grondslag gelegd.2 Volgens haar zou door middel van een ‘hersteloverdracht’ kunnen worden bewerkstelligd dat ‘de verhoudingen tussen de verkoper en de koper zo veel mogelijk (…) lijken op die vóórdat zaaksvorming roet in het eten gooide.’3 Een zodanige overdracht komt volgens Spath niet in strijd met art. 3:84 lid 3 BW omdat de overdracht er slechts toe strekt de uitgangspositie van de verkoper te herstellen, namelijk dat hij eigenaar is onder ontbindende voorwaarde van voldoening van de verschuldigde prestatie, terwijl het in het licht van de terughoudende interpretatie van het fiduciaverbod door de Hoge Raad niet waarschijnlijk is dat een dergelijke overdracht strijdig zou zijn met art. 3:84 lid 3 BW.
Tegen de achtergrond van het voorgaande moet echter worden geconcludeerd dat een dergelijke overdracht afstuit op het fiduciaverbod.4 Wanneer men namelijk bedenkt dat de eigendomstoewijzing aan de koper op grond van artikel 5:16 lid 2 BW mede is ingegeven door (de gedachte die ten grondslag ligt aan) het fiduciaverbod, kan deze eigendomsverkrijging niet worden ongedaan gemaakt zonder de grenzen van artikel 3:84 lid 3 BW te overschrijden. Of anders gezegd: aangezien de strekking van het fiduciaverbod zelfs aan een rechtstreekse eigendomstoewijzing aan de verkoper op grond van artikel 5:16 lid 2 BW in de weg staat, kan niet gezegd worden dat een overdracht aan de verkoper niet in strijd komt met datzelfde fiduciaverbod.5
In dat verband kan niet gezegd worden dat de overdracht niet enkel strekt tot verhaal of slechts de uitgangspositie van de verkoper beoogt te herstellen. Vanwege de zaaksvorming is het namelijk niet meer mogelijk om deze uitgangspositie te herstellen, omdat de verkochte zaak niet meer bestaat. De nieuw gevormde zaak vervult in de rechtsverhouding tussen verkoper en koper een geheel andere rol dan de oorspronkelijke zaak. Het eigendomsvoorbehoud strekt ertoe de ongedaanmaking na ontbinding op goederenrechtelijke wijze te effectueren. Na zaaksvorming kan deze ongedaanmaking niet meer plaatsvinden, omdat de verkochte zaak niet meer bestaat. Om die reden is het niet meer mogelijk de verhouding tussen verkoper en koper te herstellen tot die van vóór de zaaksvorming.
Het zij toegegeven dat het fiduciaverbod aan kracht heeft ingeboet door de beperkende uitleg van artikel 3:84 lid 3 BW in het Sogelease-arrest.6 Wanneer men bedenkt dat de Hoge Raad in dat geval een overdracht met zekerheidsdoeleinden sanctioneerde, terwijl in het geheel geen gewicht werd toegekend aan de omstandigheid of de verkrijger al dan niet een daadwerkelijk belang bij de zaak zelf had, zou men kunnen betogen dat een hersteloverdracht aan de verkoper dan ook niet op dat argument zou moeten afstuiten. Toch zou het naar mijn mening een grote, en ook niet voor de hand liggende stap zijn om de hersteloverdracht toelaatbaar te achten, nu een dergelijk resultaat sterk zou indruisen tegen het helder verwoorde standpunt van de wetgever, waarin een nadrukkelijk verband wordt gelegd tussen de eigendomstoewijzing aan de koper en het fiduciaverbod. Daarbij komt dat de nieuw gevormde zaak in de regel een hogere waarde vertegenwoordigt dan de verkochte zaak. In een dergelijk geval zal, zeker wanneer de koper reeds een gedeelte van de verschuldigde tegenprestatie heeft voldaan, de wanverhouding tussen de hoogte van de vordering en de waarde van de nieuw gevormde zaak nog een extra argument zijn voor het oordeel dat geen sprake is van een werkelijke overdracht.7