Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.3.2
8.3.2 De onmogelijkheid van splitsing van eigendom
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS401985:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kortmann 1992, p. 200-201, Bartels 1997, p. 91, Jansen 2001, p. 287, Scheltema 2003, p. 344, Peter 2007, p. 150-151, Wibier & Smid 2009, p. 727, voetnoot 22, Reehuis 2010, nr. 93, Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 126, Reehuis 2013, nr. 22, Scheltema 2013, p. 162, Kok 2015, p. 690, A.F. Salomons & G.á.C. Orbán in hun noot onder HR 3 juni 2016, INS 2016, 206 en Struycken 2016, p. 182. Zo reeds Suijling 1940, nr. 248.
Struycken 2007, p. 555.
Zie bijv. Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 194 waar het eigendomsvoorbehoud wordt gezien als een wettelijke uitzondering die voorziet in splitsing van een recht over meerdere personen. Anders: Snijders 2006, p. 226.
Zwitser 1993, p. 528, Asser/Mijnssen & De Haan 3-I 2006, nr. 220, Faber 2007, p. 54, Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013, nr. 240 en Rongen 2014, p. 314. Zie ook Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010, nr. 550, alwaar de splitsing van eigendom wordt geaccepteerd.
Kortmann 1992, p. 201, Scheltema 2003, p. 344-345, Kok 2015, p. 690 en Scheltema 2017, p. 98. Vgl. ook Van Swaaij 2000, p. 190.
Scheltema 2003, p. 345 en Stolz 2015, p. 1002.
Zo bijv. Asser/Beekhuis e.a. 3-II 1990, p. 13: ‘Het positieve recht kan bepalen wie eigenaar is, het kan ook beperkingen op de eigendom aanbrengen. Het kan echter niet de betekenis van het begrip eigendom vaststellen.’ Dezelfde frase treft men nog aan bij Asser/Bartels & Van Velten 5 2017, nr. 14. Zie over een dergelijke benadering de beschouwing van Wiegand 1976 over gesplitste eigendom, waarin hij op p. 138 duidelijk maakt dat de onmogelijkheid van splitsing in de negentiende-eeuwse doctrine tot ontwikkeling is gekomen onder invloed van het betoog van Thibaut (A.F.J. Thibaut, ‘Ueber dominium directum und utile’, in: Versuche über einzelne Theile der Theorie des Rechts, Jena 1817, p. 67-99), niet vanwege ‘die historisch eindrucksvolle Begründung’ en evenmin door ‘die gewiû überzeugende Polemik gegen die Literatur des 18. Jahrhunderts’ maar vanwege ‘ganz allein die Tatsache, daû viele der zeitgenössischen Juristen und der kommenden Generation eben diese Auffassung teilen, daû es nur ein wahres Eigentum gebe und daû dieses Eigentum dasjenige sei, das sie in den römischen Quellen vorzufinden glaubten.’ Als vanzelfsprekend werd derhalve aangenomen dat er een bepaald ‘echt’ eigendomsbegrip bestond, zonder dat de wet daarop kennelijk enige invloed kon uitoefenen. Illustratief is de kritiek op het ABGB zoals besproken door Wiegand op p. 150-151 waaruit blijkt dat men uitging van een buitenwettelijk eigendomsbegrip dat splitsing niet toestaat, waardoor de in het ABGB opgenomen mogelijkheid van splitsing van eigendom volgens critici neerkwam op een ‘baaren Unmöglichkeit’. Terecht merkt Wiegand 1976, p. 151-152 op dat hieruit een houding naar voren komt waarbij wordt uitgegaan van een quasi-natuurrechtelijke gelding van het eigendomsbegrip, waardoor bepaalde wetmatigheden als vaststaand worden aangenomen, alsof ‘die Rechtsbegriffe selbst überhistorische Natur seien.’ Vgl. ook Rank-Berenschot 1998, p. 149 die in het kader van de in de literatuur dikwijls als vanzelfsprekend geponeerde stelling dat eigendom oneindig is, enigszins spottend opmerkt ‘dat er kennelijk zo iets moet zijn als de aard van het eigendomsrecht, die meebrengt dat eigendom en tijdelijkheid per definitie onverenigbare begrippen zijn.’ Zie ook Von Jhering 1871, p. 510: ‘Es ist nur eine durch den traditionellen Eigenthumsbegriff des altrömischen Rechts beeinfluûte unbeholfene Anschauungsweise, welche an der zeitlichen Eigentumsbeschränkung Anstoû nimmt.’
Vgl. ook L. Raiser, ‘Funktionsteilung des Eigentums’, in: F. Baur, K. Larenz & F. Wieacker (red.), Beiträge zur europäischen Rechtsgeschichte und zum geltenden Zivilrecht, München: C.H. Beck 1977, p. 177-178 die opmerkt dat het ‘nicht Gründe einer strukturellen Logik, sondern solche der rechtspolitischen Konsequenz im Privatrechtssystem’ zijn, op grond waarvan bezwaren kunnen worden gemaakt tegen de splitsing van eigendom. Zie reeds Raiser 1961, p. 53-54.
Zie daarover uitgebreid Klang/Leupold 2011, § 358 ABGB, Rn. 1 e.v.
Vgl. Rongen 2014, p. 313.
Zie Advies R.v.S., Parl. Gesch. Boek 5 BW, p. 21: ‘Het is een verklaring zonder wezenlijke inhoud.’ Zie ook Van den Bergh 1987, p. 331 en De Jong 2006, p. 203.
Zie ook Van Hees 1997, p. 105.
Rongen 2014, p. 313-314 die om die reden niet van splitsing maar van spiegeling spreekt. Vgl. Faber 2007, p. 53-54. Deze spiegelings- of vermenigvuldigingsgedachte moet evenwel worden verworpen. Beide rechten zijn immers door de splitsing dienovereenkomstig beperkt door de voorwaarde, terwijl met spiegeling of vermenigvuldiging de suggestie wordt gewekt alsof er na de voorwaardelijke overdracht mÉer rechten zouden bestaan dan daarvoor. Zie Raiser 1961, p. 66 die opmerkt dat splitsing een betere benadering is ‘da ja insgesamt den beiden Berechtigten nicht mehr Befugnisse zustehen als zuvor dem Veräuûerer allein.’ Vgl. ook punt 7 van de noot van F.M.J. Verstijlen onder HR 3 juni 2016, NJ 2016, 290 (Rabobank/Reuser) die opmerkt dat van een ‘wonderbaarlijke vermeerdering van goederenrechtelijk rechten’ geen sprake is, nu beide rechten zijn onderworpen aan dezelfde voorwaarde en in zoverre spiegelbeeldig en complementair zijn.
Vgl. Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 126, alwaar wordt opgemerkt ‘dat eigendom onder opschortende voorwaarde een nog niet bestaande eigendom is.’ Zo ook Scheltema 2003, p. 345-346.
Anders: Rongen 2014, p. 305.
Vgl. Van Hees 1997, p. 107.
Geregeld wordt als bezwaar tegen de opvatting dat een voorwaardelijke beschikking leidt tot een eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde en een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde aangevoerd dat het onmogelijk is om eigendom te splitsen op een andere wijze dan waarin de wet voorziet.1
Bij dit bezwaar ligt het gevaar op de loer dat men langs elkaar heen redeneert, zoals treffend door Struycken tot uitdrukking is gebracht:
‘De dogmatische vraag in hoeverre vermogensrechten splitsbaar zijn, speelt in deze discussie een dubbelrol, in de ene redenering die van onwrikbaar dogma, in de andere de rol van petitio principii. In de stroming die betwist dat aan de koper een voorwaardelijk eigendomsrecht toekomt, vormt de onsplitsbaarheid van het eigendomsrecht het uitgangspunt van de redenering; de onbestaanbaarheid van voorwaardelijke eigendom wordt gepresenteerd als consequentie van het dogmatische uitgangspunt van onsplitsbaarheid. Daarentegen vormt de splitsbaarheid het sluitstuk van de redenering van degenen die de positie van de koper wel als een voorwaardelijk eigendomsrecht aanmerken; de erkenning van het bestaan van dubbele of gesplitste eigendom brengt hen tot de conclusie dat het uitgangspunt van onsplitsbaarheid niet langer onverkort geldt.’2
Het door Struycken gesignaleerde probleem komt voort uit het feit dat wordt uitgegaan van de onmogelijkheid van splitsing van eigendom op een andere wijze dan waarin de wet voorziet. Neemt men aan dat aan deze splitsing een afdoende wettelijke basis ten grondslag ligt, zoals hiervoor is betoogd, dan bestaat er in het geheel geen onsplitsbaarheidsprobleem.3 De splitsing van het eigendomsrecht is dan immers een gevolg van artikel 3:84 lid 4 BW en ligt besloten in het goederenrechtelijk systeem.4 Ook de wetgever heeft zich meermaals in termen van splitsing van rechten uitgedrukt, zodat het beroep op de onmogelijkheid van splitsing als bezwaar tegen de erkenning van de rechtspositie van de koper als voorwaardelijk eigendomsrecht geen overtuigingskracht heeft. Door de auteurs die zich beroepen op de onmogelijkheid van splitsing van eigendom wordt daarentegen juist betoogd dat artikel 3:84 lid 4 BW geen afdoende basis is en uit de opmerkingen van de wetgever niet te veel mag worden afgeleid. Zo bezien zou de splitsbaarheid helemaal niet berusten op de wet.
Men geraakt slechts uit deze spraakverwarring, door te bezien welke inhoudelijke argumenten aan het beroep op de onsplitsbaarheid van eigendom ten grondslag liggen. Het achterliggende bezwaar lijkt te zijn dat splitsbaarheid zich niet goed verdraagt met het karakter van het eigendomsrecht als meest omvattende recht (art. 5:1 BW). De mogelijkheid om de uit het eigendomsrecht voortvloeiende bevoegdheden te verdelen over meerdere personen, die allebei als eigenaar worden aangemerkt, zou met de definitie van het eigendomsrecht innerlijk tegenstrijdig zijn, omdat niet goed voorstelbaar is dat twee personen een meest omvattend recht ten aanzien van dezelfde zaak hebben.5 Naast dit meer semantische argument speelt ook een inhoudelijk bezwaar: als we eenmaal aanvaarden dat twee personen tegelijkertijd eigenaar kunnen zijn van een zaak, zonder dat sprake is van een gemeenschappelijk toebehoren, op welke wijze moet dan worden bepaald aan wie welke gewoonlijk uit het eigendomsrecht voortvloeiende bevoegdheden toekomen?6
Bij het semantische bezwaar wordt (impliciet) een buitenwettelijke karakterisering van het eigendomsrecht tot uitgangspunt genomen. Alsof het eigendomsbegrip een vaststaand en omlijnd gegeven is, en de wet daarop geen enkele invloed uitoefent.7 Dat is niet het geval. Uiteindelijk is het immers in de eerste plaats de wet die bepaalt wat onder een eigendomsrecht moet worden verstaan, welke bevoegdheden aan dit recht zijn verbonden en in hoeverre het mogelijk is het eigendomsrecht te splitsen.8 Niets verzet zich ertegen dat de wetgever een splitsbaar eigendomsrecht schept. Het Oostenrijkse recht kende bijvoorbeeld enige tijd een zodanig splitsbaar eigendomsrecht, doordat het in § 357 ABGB de mogelijkheid opende om eigendom te splitsen in Ober- en Nutzungseigentum.9 Het eigendomsbegrip wordt aldus mede bepaald door de wettelijke bepalingen die daarop (impliciet) van toepassing zijn. Zo bezien is het mede artikel 3:84 lid 4 BW dat het eigendomsbegrip van het Nederlandse recht vormgeeft en niet uitsluitend de definitie van artikel 5:1 BW.10 De dikwijls vooral retorisch opgeworpen vraag hoe het mogelijk is dat twee ‘meest omvattende rechten’ met betrekking tot dezelfde zaak kunnen bestaan, acht ik daarbij van weinig gewicht, nu de definitie van artikel 5:1 BW niet veel meer dan een verlegenheidsdefinitie is.11
Ook het inhoudelijke bezwaar dat bij splitsbare eigendom onduidelijk is op welke wijze de bevoegdheden tussen de beide eigenaars moeten worden afgebakend, acht ik van weinig gewicht waar het gaat om splitsbaarheid als gevolg van een voorwaardelijke beschikking.12 Het eigendomsrecht wordt weliswaar gesplitst, maar de verkrijger krijgt vooralsnog slechts een eigendomsrecht zon der werking.13 Er is aldus wel sprake van een splitsing van het eigendomsrecht, maar geen splitsing van de aan het eigendomsrecht verbonden bevoegdheden. Slechts het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde heeft werking, zodat de eigenaarsbevoegdheden zijn verbonden aan het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde.14 Voor de hand ligt vervolgens de gevolgtrekking dat dit eigendomsrecht het ‘echte’ eigendomsrecht is,15 en dat dus in werkelijkheid van splitsing helemaal geen sprake is. Dat is echter niet het geval. Net zoals een verbintenis zonder werking een – bestaande – verbintenis is, is ook eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde weliswaar zonder werking, maar wel degelijk een eigendomsrecht.
Hierna zal echter nog blijken dat, ondanks het uitgangspunt dat aan het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde gedurende de periode van onzekerheid alle eigenaarsbevoegdheden toekomen, ook aan de eigenaar onder opschortende voorwaarde reeds voordat het recht werking krijgt bepaalde bevoegdheden toekomen. Dienovereenkomstig is ook de eigenaar onder ontbindende voorwaarde in sommige van zijn eigenaarsbevoegdheden beperkt.16 Het tegen splitsbaarheid van eigendom aangedragen argument dat hierdoor onduidelijkheid kan ontstaan bij de afbakening van de respectieve bevoegdheden, bezit in zoverre een zekere kern van waarheid. Bedacht moet worden dat deze hierna nog te behandelen afbakening betrekking heeft op allemaal vragen die evenzeer aan de orde zouden (moeten) komen indien men niet zou uitgaan van een systematiek van gesplitste eigendom gedurende de periode van onzekerheid. Deze vragen zijn namelijk inherent aan het feit dat gedurende de periode van onzekerheid bepaalde onzekerheden bestaan, omdat niet duidelijk is wie uiteindelijk eigenaar zal zijn van de verkochte zaak. Het komt mij voor dat de aanvaarding van de splitsing van het eigendomsrecht in dat verband juist een adequaat middel vormt om het antwoord op deze vragen nader te onderbouwen en te verklaren.17 In paragraaf 8.4.2 zal bovendien blijken dat al deze bevoegdheden berusten op de voorwerking van de overdracht onder opschortende voorwaarde, op grond waarvan de koper reeds die bevoegdheden heeft die nodig zijn om zijn eigendomsverkrijging bij vervulling van de voorwaarde te waarborgen. Aldus biedt deze voorwerking een tamelijk vastomlijnd richtsnoer, aan de hand waarvan zonder al te veel onduidelijkheid kan worden bepaald welke bevoegdheden aan het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde zijn verbonden.