Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/3.2.4.1
3.2.4.1 Visie op communicatie: welbewuste keuze voor een nieuwe koers
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661340:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Pfeil 2009, p. 401. Onder ander vanwege de toegenomen complexiteit van het belastingrecht, de groei van het aantal belastingplichtigen en de afgenomen belastingmoraal bleek de traditionele manier van werken en de hiërarchische houding ten opzichte van belastingplichtigen niet langer adequaat. Belastingdienst, Corporate verhaal Belastingdienst 2018, p. 1-2.
Pfeil 2009, 401-402; Brunger en Veldman 2011, p. p. 4, 9.
Pfeil 2009, p. 401.
Nota ‘Aard en omvang van de belastingfraude’, Kamerstukken II 1979/1980,16180, nrs. 1-2, p. 10.
Nota ‘Aard en omvang van de belastingfraude’, Kamerstukken II 1979/1980, 16180, nrs. 1-2, p. 10, 12. Ook later toont de Belastingdienst zich bewust dat een dienstverlenende opstelling zich ook uitbetaalt op de langere termijn, bijv. Belastingdienst Bedrijfsplan Externe communicatie 2003-2007, par. 1.2.
De regering beschrijft (p. 10-12) hoe voorlichting op verschillende manieren moet worden ingezet om belastingplichtigen het belang van belasting betalen bij te brengen, bijv. reeds via het onderwijs.
Nota ‘Aard en omvang van de belastingfraude’, Kamerstukken II 1979/1980, 16180, nrs. 1-2, p. 12.
Pfeil 2009, p. 403. Kamerstukken II, 1983/1984, 17050 en 17522, nr. 3; via Kamerstukken II 19971998, 17050, nr. 202, p. 6 ‘Een goede voorlichting en effectieve dienstverlening dragen bij aan het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik.’ Over deze nota bijv. Van Kommer 1998, p. 57.
Pfeil 2009, p. 403.
Zie Pfeil 2009, p. 406.
Belastingdienst Beleidsdoorlichting Compliance 2010, par. 3.2.
Belastingdienst Beleidsdoorlichting Compliance 2010, par. 3.2.
Pfeil 401, 406.
Pfeil 2009, p. 406; Van Kommer, p. 59-60.
Pfeil 2009, p. 407 en Van Kommer 1998, p. 12-14 en p. 10-11.
Pfeil 2009, p. 401, 406 en verwijzingen aldaar over de reorganisatie. Relevant zijn hierbij o.a. het Memorandum Herstructurering Belastingdienst (1986) en het rapport Managementvisie voor de Belastingdienst 1983-1987.
Vanwege maatschappelijke en organisatorische ontwikkelingen uit de aflopen jaren besefte de Belastingdienst dat er een nieuwe koers nodig was.1 Terwijl de omvang van belastingfraude enorm bleek, was het simpelweg niet meer mogelijk om elke belastingaangifte te controleren.2 De ‘100%-filosofie’ in de aangiftebehandeling moest worden losgelaten, maar daarvoor moest iets anders in de plaats komen.3 De Belastingdienst moest ook zijn relatie met belastingplichtigen verbeteren.
In de Nota ‘Aard en omvang van de belastingfraude’, een reactie op het frauderapport van de Commissie Van Bijsterveld uit 1979, stelde de regering twee typen aanpak voor waarlangs fraude kon worden besteden: een directe aanpak (intensiever controle- en sanctiebeleid) en een indirecte aanpak (gericht op de verbetering van de houding van burgers tegenover het betalen van belasting).4 Weliswaar was op korte termijn een directe aanpak van belang, maar volgens de regering was daarnaast op lange termijn de indirecte aanpak nodig.5 In deze indirecte aanpak was voorlichting over onder andere het belang van belastingheffing volgens de regering van groot belang.6 Daarnaast was duidelijk dat de Belastingdienst zijn relatie met belastingplichtigen moest verbeteren, door zich dienstverlenend op te stellen, aldus de Nota:
‘Voor het bevorderen van een goede belastingmentaliteit is belangrijk dat de belastingdienst in zijn relatie met de contribuabelen als voorkomend, redelijk, correct en service-bereid overkomt en dat hij, zoals de heer Van Bijsterveld benadrukt, vooral tegenover de goedwillende belastingplichtigen behoedzaam optreedt maar tegen de harde fraudeurs hard. In een behoedzame benadering van belastingplichtigen past voorts dat gelet wordt op de begrijpelijkheid van de belastingheffing en op de administratieve kosten en moeite, die de belastingheffing voor de burgers met zich brengt.’7
Ook in de Nota Fraudebestrijding in de directe belastingen en de omzetbelasting (1982) concludeert de regering dat ‘goede voorlichting en effectieve dienstverlening’ bijdraagt aan de strijd tegen belastingfraude.8 Het idee is hier eveneens dat deze aanpak op indirecte wijze eraan bijdraagt dat burgers hun belastingen betalen.
Bovengenoemde ontwikkelingen drongen uiteraard ook door tot de Belastingdienst. De ambtelijke top realiseert zich ‘dat de Belastingdienst zijn dienstverlenende inspanningen moet vergroten om de burgers tot het naleven van de fiscale verplichtingen te bewegen’, aldus Pfeil.9 Volgens het rapport Managementvisie voor de Belastingdienst 1983-1987 wordt de Belastingdienst duidelijk dat belastingplichtigen ‘een soepelere opstelling, meer voorlichting en minder versnippering van de dienstverlening’ willen.10
De Belastingdienst wenst zijn beleidsstrategie te gaan inrichten op nieuwe inzichten in fiscale rechtshandhaving.11 De Belastingdienst raakte ervan doordrongen, zo blikt de beleidsdoorlichting uit 2010 terug op deze periode, dat een fundamentele verschuiving van straffen naar helpen nodig was:
‘De Belastingdienst raakte ervan overtuigd dat men zich moest gaan richten op het beïnvloeden van de mensen achter de dossiers. Uitgangspunt daarbij was dat de meeste mensen bereid zijn belasting te betalen, maar dat ze soms moeite hebben met de ingewikkelde regelgeving. Het fundamentele uitgangspunt van de Belastingdienst verschoof van straffen naar helpen. Alleen voor mensen die niet vrijwillig aan hun verplichtingen willen voldoen was nog een bestraffende aanpak op zijn plaats.’12
Mede door deze ontwikkelingen komen uiteindelijk ingrijpende wijzigingen tot stand in zowel de werkwijze als de organisatiestructuur van de Belastingdienst.13
Ten eerste doet de dienstverlenende houding en het ‘klantdenken’ zijn intrede bij de Belastingdienst.14 De in 1986 ontwikkelde bedrijfsfilosofie leunt op vier uitgangspunten – die vandaag de dag nog steeds geldend zijn: (i) doelgroepgericht en geïntegreerd werken, (ii) zorgvuldig handelen, (iii) dienstverlening en (iv) klantgerichtheid.15 Ten tweede start in de tweede helft van de jaren 80 een fundamentele herstructurering van de Belastingdienst, waarbij de belastingmiddelgerichte organisatiestructuur werd omgezet in een doelgroepgerichte organisatiestructuur.16 Niet de belastingwet, maar het perspectief van de doelgroep (belastingplichtigen) moest leidend worden.