Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/6.4.1.1
6.4.1.1 Contra legem?
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685471:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ackermans 1989, p. 125 achtte het reeds onaanvaardbaar dat een beroep op het vertrouwensbeginsel wordt gehonoreerd indien de belangen van het rechtsverkeer en van derden in het geding komen. Schutgens meent dat het toepassen van rechtsbeginselen contra legem past bij responsief bestuursrecht: Kromhout & Marseille 2019, par. 3.1 (VAR-studiemiddag over responsief bestuursrecht). Zie over de onduidelijke lijn van de Afdeling ook de conclusie van A-G Wattel over het vertrouwensbeginsel in het omgevingsrecht, ECLI:NL:RVS:2019:896, bijlage 1 onder E.
Zie bijv. ABRvS 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3132 en onder E bijlage 1 conclusie A-G Wattel over het vertrouwensbeginsel, ECLI:NL:RVS:2019:896. Zoals in het volgende hoofdstuk wordt behandeld, draait het in het belastingrecht ā na de Doorbraak-arresten uit 1979 ā altijd om een afweging van het vertrouwensbeginsel en het legaliteitsbeginsel. A-G Wattel noemt onder 29-31 van zijn conclusie over het vertrouwensbeginsel in het omgevingsrecht, ECLI:NL:RVS:2019:896, redenen waarom de Afdeling wellicht contra-legemtoepassing bij gebonden bevoegdheden toch niet helemaal uitsluit.
ABRvS 1 maart 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AV2962, AB 2006/188.
Zie over de term ābeslissingsruimteā het Jaarverslag 2017 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, p. 61.
Dit is bij gebonden bevoegdheden minder het geval.
Vgl. Kortmann 2018, p. 139-142.
Zie al over contra-legemtoepassing van het vertrouwensbeginsel Konijnenbelt 1975, p. 105. Hij meent dat dat mogelijk moet zijn. In de jaren 80 van de 20e eeuw heeft de Afdeling wel gebruik gemaakt van contra-legemtoepassing van het vertrouwensbeginsel. Dit gebeurde bij subsidiebeschikkingen en overschrijdingen van wettelijke beroepstermijnen. Zie ook De Sterke 1989 die op de terughoudendheid tot contra-legemtoepassing wijst en kritisch Gorissen 2008, p. 130-131.
Zie bijv. Gorissen 2009. Zij wijst er ook op dat de afwijzende houding van het CBb, gelet op het gebrek aan derdebelangen daar minder voor de hand ligt. Verheij 1997, p. 63 betoogt dat indien nakoming van de wet een zwaarwegend belang is, het niet honoreren van contra legem gerechtvaardigde verwachtingen voor de hand ligt. Indien tegenover het contra-legembelang slechts financiƫle belangen staan, is het minder logisch dat de verwachtingen niet gehonoreerd worden. Zie voor een mogelijke versoepeling: NTB 2020/236 onder 2.5.2 en ABRvS 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1278, AB 2020/252, m.nt. C.N.J. Kortmann. Kortmann meent dat uiteindelijk in die zaak niet echt sprake is van het slagen van het beroep op het vertrouwensbeginsel contra legem.
Vermeer 2006a, p. 287-288; ABRvS 5 november 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AN7291, AB 2004/243; ABRvS 27 juli 2005, ECLI:NL:2005:RVS:AU102; ABRvS 14 september 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU2637, AB 2005/409; ABRvS 19 oktober 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU4565, AB 2006/59; ABRvS 2 november 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU5397 en ABRvS 20 april 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT4214, AB 2005/356. Vermeer noemt de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep āvanuit rechtsstatelijk perspectief veel evenwichtigerā.
CBb 12 december 2013, ECLI:NL:CBB:2013:282, AB 2015/95. Zie tevens CBb 25 februari 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BH4690. Zie bijv. CBb 23 april 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BD0646, AB 2008/233, rov. 5.4, met verwijzingen naar arresten van het Hof van Justitie. Zie ook CBb 23 april 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BA5401, AB 2007/247.
Zie bijv. CRvB 25 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:539, AB 2015/405. Van Kreveld 2016 zoekt het verschil tussen de financiĆ«le tweepartijenrelaties en het ordeningsrecht in het feit dat bij het ordeningsrecht het bestuursorgaan de samenleving als geheel (derdebelangen) dient te beschermen. De CRvB is echter vaak ook streng bij toepassing van het vertrouwensbeginsel contra legem. Zie bijv. CRvB 11 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3830; CRvB 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9144 en CRvB 6 juli 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY4174. Damen merkt onder 4 van zijn annotatie bij CRvB 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1255, AB 2015/434 op: ākennelijk is de contra legem toezegging op haar retourā. In Damen 2018b vraag hij zich (p. 76-77) opnieuw af of de CRvB nog aan contra-legemtoepassing doet. Recente jurisprudentie doet vermoeden van wel: CRvB 23 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2624, JB 2018/191.
CRvB 18 februari 1975, AB 1975/243. Zie ook bijv. CRvB 29 maart 1987, ECLI:NL:CRVB:1987:AM9657, AB 1988/18 en CRvB 25 mei 1998, ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7979. Een beroep op dergelijke omstandigheden slaagt echter niet snel. Zie bijv. CRvB 4 maart 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH4809 en CRvB 18 mei 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT9065. Zie bijv. CRvB 19 november 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2880 waarin weliswaar sprake was van gerechtvaardigd vertrouwen, maar het algemeen belang ābij de inhouding van de pensioenpremie overeenkomstig de belastingwetgeving en het Pensioenreglement meer gewicht in de schaal legt dan het belang van betrokkeneā, rov. 4.11.
Vgl. Vermeer 2006a, p. 285-286.
Vaak staat strijd met de wet al in de weg aan honorering vertrouwen, zie bijv. Rb. Noord-Holland 10 maart 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:2575 en CRvB 25 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1324.
CRvB 20 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:387, AB 2020/350, m.nt. L.J.A. Damen. Damen merkt terecht op dat eerder wel contra legem uitspraken zijn gedaan.
Zie ook CRvB 16 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1802, JB 2021/186: appellante had een besluit ontvangen, navraag gedaan of dit besluit correct was, hetgeen vervolgens is bevestigd. In dat geval prevaleert het belang van appellant op aanspraak op een volledige pensioenopbouw. Zie ook CRvB 3 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1911, waarin de Centrale Raad van Beroep overweegt in rov. 8.6 dat het belang van het voorkomen van een toekenning van een uitkering in strijd met het legaliteitsbeginsel minder zwaar weegt ābij afwezigheid van concrete bedreigde belangen van enige betekenisā; CRvB 25 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1156, rov. 4.5-47 en ABRvS 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2606, AB 2021/61 (Calamiteitenfonds), rov. 50. In CRvB 11 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2866 werd in het kader van de belangenafweging van belang geacht dat appellante geen dispositieschade heeft geleden. In Rb. Midden-Nederland 17 maart 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:1873, ECLI:NL:RBMNE:2021:1870, rov. 17 werd ook doorslaggevend gewicht toegekend aan āinhouding van de pensioenpremie overeenkomstig de belastingwetgevingā. Kritisch over de verschillende gehanteerde maatstaven met betrekking tot contra-legemtoepassing van het vertrouwensbeginsel, C.L.G.F.H. Albers in haar annotatie JB 2021/188 bij CRvB 3 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1911.
Damen 2021, p. 28-29.
Zie conclusie van A-G Snijders 18 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1441 (Toetsing formele wetten aan het evenredigheidsbeginsel). Hij concludeert dat het toetsingsverbod in de weg staat aan toetsing van wetten in formele zin aan het evenredigheidsbeginsel, tenzij het gaat om gevallen die de wetgever niet onder ogen heeft gezien. Vgl. M. Scheltema 1975 die vraagtekens plaatst bij de term ācontra legemā. Volgens hem gaat het om gevallen die de wetgever niet heeft voorzien. M. Scheltema 1984, p. 545-546 wijst op een annotatie van Mok en neemt de term ātweede-graads vertrouwensbeginselā over. Het gaat om bij de burger gewekte verwachtingen op een voor de burger gunstiger resultaat dan uit de wet voortvloeit. Het gaat niet om situaties waarin de wetgever heeft bepaald dat gewekte verwachtingen niet gehonoreerd moeten worden (dan is sprake van een contra-legemsituatie), maar om gevallen waarin de wetgever niet heeft voorzien dat verwachtingen zouden worden gewekt.
Rb. Zeeland-West-Brabant 12 juni 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:2487.
Indien honorering van een welbewuste standpuntbepaling in strijd kan komen met een wettelijk voorschrift, hanteert de Afdeling een strikte lijn. Contra-legemtoepassing van het vertrouwensbeginsel is in beginsel niet mogelijk.1 Een bestuursorgaan kan bij gebonden bevoegdheden in het omgevingsrecht niet worden gehouden om in strijd met de wet te handelen.2 Bij een financiĆ«le tweepartijenrelatie daarentegen bestaat meer ruimte voor contra-legembesluitvorming.3 Zoals in eerdere hoofdstukken aan de orde geweest, is in het ordeningsrecht meestal sprake van uitoefening van discretionaire bevoegdheden.4 In dat geval kan niet een āechteā contra-legemsituatie ontstaan. Eigen aan de discretionaire bevoegdheden is dat een bestuursorgaan ā zoals inherent is aan het ordeningsrecht ā bij besluitvorming alle aanwezige belangen moet betrekken.5 Het belang van een enkele persoon krijgt daardoor minder gewicht.6
Op de strenge afwijzing door de Afdeling van contra legem gewekt vertrouwen is veel kritiek.7 Hoewel begrip bestaat voor die afwijzing bij de aanwezigheid van derdebelangen, zou de Afdeling volgens velen haar strenge lijn wat moeten laten loslaten wanneer een tweepartijenverhouding bij haar ter discussie staat.8 In haar uitspraken geeft de Afdeling geen verklaring voor haar strenge benadering. Vermeer heeft erop gewezen dat het legaliteitsbeginsel niet zou moeten betekenen dat geen belangenafweging meer hoeft te worden gemaakt. Hij wijst in dat kader op de handhavingsjurisprudentie waarin een fidens een overgangstermijn krijgt. De daaropvolgende situatie is ook contra legem, maar daarmee heeft de Afdeling geen problemen.9
Het CBb past eenzelfde strikte lijn toe, zeker als ā zoals vaak het geval is bij de zaken behandeld door dat rechtscollege ā het Unierecht in het geding is. In het Unierecht is geen plaats voor honorering van vertrouwen dat in strijd met Unierecht is gewekt.10
Bij de Centrale Raad van Beroep is in het algemeen sprake van tweepartijenrelaties en kan contra-legemtoepassing van het vertrouwensbeginsel op grond van bijzondere omstandigheden gemakkelijker plaatsvinden.11 Contra-legemtoepassing van algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft de Centrale Raad ā overigens met verwijzing naar verwachtingwekkende inlichtingen 0ā reeds in 1975 aanvaard.12
āBijzondere gevallen zijn denkbaar, waarin strikte toepassing van bedoelde wetsbepaling in die mate in strijd zou komen met het ongeschreven recht dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Voor de beoordeling van de vraag of zich een dergelijk geval ten deze voordoet, is van belang of de bedrijfsvereniging in ondubbelzinnige schriftelijke uitlatingen, zonder dat onjuiste of onvolledige inlichtingen van de zijde van belanghebbende hiertoe aanleiding hebben gegeven, aan de belanghebbende te kennen heeft gegeven dat hij niet als premieplichtige werkgever in de zin van de toepasselijke wetten is aan te merken, of de onjuistheid van (of het niet meer van toepassing zijn van) de uitlatingen niet is of behoorde te worden onderkend, of de belanghebbende redelijkerwijs (nog) op de juistheid van de hem verstrekte inlichtingen mocht vertrouwen en of wijziging van het aan de belanghebbende medegedeelde standpunt tot kennelijk onredelijke gevolgen zou leiden.ā
De lijn van de Centrale Raad van Beroep kan in de literatuur op instemming rekenen: in het concrete geval beziet de bestuursrechter of sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de wet buiten toepassing wordt gelaten.13 In het volgende hoofdstuk wordt duidelijk dat de benadering van de Centrale Raad van Beroep lijkt op die van de belastingrechter, welke laatste eveneens over tweepartijengeschillen oordeelt en over de uitoefening van gebonden bevoegdheden. Hoewel de mogelijkheid bij de Centrale Raad van Beroep van contra-legemtoepassing van het vertrouwensbeginsel wordt erkend, past hij die mogelijkheid maar mondjesmaat toe.14
Een typisch voorbeeld vormt een zaak bij de Centrale Raad van Beroep waarin een geschil bestond over een korting op het AOW-pensioen van belanghebbende voor een bepaald tijdvak. Aan belanghebbende was een pensioenoverzicht gestuurd, waarin onder andere de tijdvakken staan waarin hij AOW-verzekerd was.15 Uiteindelijk is naar aanleiding van een aanvraag van een AOW-pensioen door de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) een pensioen vastgesteld dat niet was gebaseerd op de in het pensioenoverzicht vermelde tijdvakken van verzekering. Vast stond dat de vermelding van het niet opgenomen tijdvak in het overzicht een fout was van de Svb. De Centrale Raad overweegt dat de belanghebbende heeft verklaard dat door het lager uitgevallen pensioen zijn welstandsniveau niet noemenswaardig wordt be-invloed. Mogelijk zou hij een ruimere aanvullende pensioenvoorziening hebben getroffen als hij tijdig van de lacune in zijn verzekeringsloopbaan op de hoogte was geweest. In het licht van die omstandigheden hecht de Centrale Raad doorslaggevend belang aan het āalgemeen belang bij berekening van het AOW-pensioen van belanghebbende volgens de wettelijke voorschriften, mede in verband met het noodzakelijke evenwicht tussen pensioenbetaling en premieafdrachtā.16
In algemene zin geldt dat geen van de bestuursrechters in het reguliere bestuursrecht happig is op het contra legem honoreren van gewekt vertrouwen.17
De wenselijkheid en precieze grenzen van contra-legemtoepassing bij een beroep op het vertrouwensbeginsel als zodanig vallen buiten de reikwijdte van dit onderzoek. Gelet op de recente aandacht voor het evenredigheidsbeginsel als grondslag om aan de wet te toetsen18 en de toepassing van maatwerk bij besluitvorming, merk ik op dat ik in algemene zin geen reden zie om contra-legemtoepassing van het vertrouwensbeginsel principieel af te wijzen. Dit is te meer het geval indien geen sprake is van precedentwerking in geval van contra-legemtoepassing van het vertrouwensbeginsel.
In bijvoorbeeld een zaak bij de Rechtbank Zeeland-West-Brabant is de rechtbank van oordeel dat de gerechtvaardigde verwachtingen er niet toe kunnen leiden dat het verzoek tot naturalisatie wordt toegewezen. De rechtbank stelt daarbij voorop dat het verlenen van het Nederlanderschap, vanwege de daaraan verbonden gevolgen, van dusdanig groot gewicht is dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.19
Of in een concreet geval contra-legemtoepassing van het vertrouwensbeginsel aan de orde kan zijn, zou moeten worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Onder andere kan daarbij worden gekeken naar het achterliggende wettelijke belang en de gevolgen van honorering van het vertrouwen.