Einde inhoudsopgave
Sturen met proceskosten (BPP nr. XII) 2011/7.4.8.0
7.4.8.0 Introductie
mr. P. Sluijter, datum 31-10-2011
- Datum
31-10-2011
- Auteur
mr. P. Sluijter
- JCDI
JCDI:ADS595533:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Daarbij is overigens wel reeds uitgegaan van beperkte informatie: ook in de klassieke modellen geldt meestal dat rechters een informatieachterstand hebben, waarbij het vergaren en verwerken van informatie administratiekosten met zich meebrengt en discussie over de informatie leidt tot satellite litigation.
Korobkin & Ulen 2000, p. 1057; Hayden & Ellis 2007, p. 647, spreken over de grab bag of empirical findings. Zie ook Vandenbergh, Carrico & Bressman 2011, p. 734, die stellen dat de rationelekeuzetheorie een duidelijk startpunt blijft, terwijl de genuanceerdere psychologische en sociologische theorieën meestal ad hoc worden toegepast en geen simpel, omvattend model voor een bredere context kennen.
Bij de bespreking van het afschrikken van verstorend procesgedrag en de daarbij getrokken parallel met het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht is tot nu toe de klassieke rechtseconomische theorie behandeld, dus uitgaande van rationeel gedrag. Daarbij is steeds de assumptie gehanteerd dat partijen hun verwachte baten van gedrag goed kunnen en zullen afwegen tegen de verwachte kosten van financiële sancties en dat zij daarna de processtrategie kiezen die het beste hun eigenbelang dient. Ook is de assumptie gehanteerd dat rechters rationeel en correct beslissen.1 Nu zullen enkele inzichten uit de behavioural law and economics worden behandeld om na te gaan welke systematische afwijkingen van de rationelekeuze-theorie relevant kunnen zijn voor de afschrikkende werking van (financiële) prikkels. Daaruit zal volgen dat die prikkels inderdaad niet zo rationeel worden meegewogen als de klassieke theorie veronderstelt, maar dat met gedragseconomische inzichten evenmin goed voorspeld kan worden hoe en in welke richting de prikkels dan wel werken. Dat wordt veroorzaakt doordat de gedragseconomie geen coherente theorie biedt, maar eerder een vergaarbak is van verschillende heuristics en biases,waarbij per situatie (of rechtsregel) moeilijk vooraf is in te schatten of, en zo ja: in welke mate, één of meer van die heuristics en biases leiden tot een voorspelling van effecten die afwijkt van de klassieke rechtseconomische voorspelling.2
Ook wordt kort stilgestaan bij empirische onderzoeken over de preventieve werking van het aansprakelijkheidsrecht - die niet in het kader van (gedrags)-economisch onderzoek zijn uitgevoerd - en de toepasselijkheid daarvan op beslissingen en gedrag binnen de civiele procedure.