Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/6.3.6:6.3.6 Nalaten hulp te verlenen bij levensgevaar
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/6.3.6
6.3.6 Nalaten hulp te verlenen bij levensgevaar
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859159:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Bij de conclusies en aanbevelingen wordt nader ingegaan op de wijziging naar een gedeeltelijk open norm.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel de Nederlandse onwaardigheidsregeling aanzienlijk ruimer is dan de regeling van onze zuiderburen, gaat de Belgische wetgever verder als het gaat om het nalaten hulp te verlenen aan een persoon in levensgevaar. In België kan de bijkomende sanctie van onwaardigheid worden verbonden aan het schuldig verzuim om hulp te verlenen aan een persoon die in groot gevaar verkeert, terwijl in Nederland onwaardigheid is uitgesloten omdat de grens van maximaal ten minste vier jaren vrijheidsstraf niet wordt gehaald bij een dergelijk feit (art. 450 Sr). In België is de strafbedreiging relatief laag met acht dagen tot een jaar gevangenisstraf (art. 421bis BSr), toch acht de Belgische wetgever een dergelijke gedraging zodanig ernstig en verwerpelijk dat onwaardigheid tot de mogelijkheden behoort.
Artikel 450 Sr stelt als voorwaarde voor bestraffing dat de hulpbehoevende overlijdt. Dat betekent dat de hulpbehoevende zelf niet meer in staat is erfrechtelijke consequenties te verbinden aan het nalaten hulp te verlenen, terwijl het goed voorstelbaar is dat hij niet wenst dat diegene nog van hem erft. Gelet hierop zou het niet misstaan als in Nederland in een dergelijk geval ook onwaardigheid volgt. Het verdient niet de voorkeur een verwijzing naar een concreet strafbaar feit in artikel 4:3 BW op te nemen. Dat past niet in het systeem van artikel 4:3 BW. Bovendien is een dergelijke situatie dermate zeldzaam dat het geen geheel eigen grond rechtvaardigt. Deze situatie kan gebracht worden onder de voorgestelde, gedeeltelijk open norm.1 De rechtszekerheid komt daardoor niet in het gedrang. Het is immers niet aannemelijk dat een dergelijke situatie zich vaak zal voordoen. Te minder nu degene die nalaat te handelen een erfrechtelijke verkrijger dient te zijn van degene die overlijdt.