Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/6.11.6
6.11.6 Art. 3.13 Wet IB en het akkoord in de schuldsaneringsregeling
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS441216:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Er zijn weliswaar afwijkende bepalingen ten opzichte van het akkoord in faillissement en surséance van betaling met betrekking tot de totstandkoming ervan, maar in essentie zijn de drie wettelijke akkoorden gelijk.
Zie persbericht ministerie van Financiën 1 december 1998, nr. 98/220, opgenomen in: V-N 1998/58.17.
Besluit staatssecretaris van Financiën 8 januari 1999, nr. DB 98/4444, opgenomen in: V-N 1999/8.14, p. 608.
Besluit staatssecretaris van Financiën 8 januari 1999, nr. DB 98/4444, opgenomen in: V-N 1999/8.14, p. 608. Dit Besluit is opnieuw aangebracht met het Besluit van 4 december 2000, CPP2000/2441, V-N 2000/55.1. Opgemerkt dient te worden dat art. 3.13 lid 1 onder a Wet IB inmiddels is aangepast.
Besluit staatssecretaris van Financiën 8 januari 1999, nr. DB 98/4444, opgenomen in: V-N 1999/8.14, p. 608.
De schuldsaneringsregeling voorziet eveneens in de mogelijkheid van een akkoord. Dit akkoord is grotendeels gestoeld op de regels van het akkoord in faillissement en surseance, heeft hetzelfde karakter als het akkoord in faillissement en surseance en verschilt derhalve in doel noch in strekking.1 Dit betekent dat het antwoord op de vraag of de schuldenaar van een gehomologeerd akkoord gebruik kan maken van de regeling van art. 3.13 Wet IB evenzeer in de schuldsaneringsregeling van belang is. De schuldsaneringsregeling bevat een voorziening in geval de schuldsaneringsregeling eindigt anders dan door een akkoord. Art. 356 Fw in verbinding met art. 358 Fw zorgen ervoor dat vorderingen die onvoldaan zijn gebleven, niet langer afdwingbaar zijn. Art. 358 lid 1 Fw luidt als volgt:
"Door de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 356, tweede lid, is een vordering ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, voor zover deze onvoldaan is gebleven, niet langer afdwingbaar, onverschillig of de schuldeiser al dan niet in de schuldsaneringsregeling is opgekomen en onverschillig of de vordering al dan niet is geverifieerd."
Ingevolge art. 358 lid 1 Fw zijn de niet-voldane vorderingen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, niet langer afdwingbaar. Het zijn natuurlijke verbintenissen geworden in de zin van art. 6:3 lid 2 BW. Dat de niet-voldane vorderingen op grond van art. 358 Fw niet langer afdwingbaar zijn, hangt samen met het doel van de schuldsaneringsregeling. De wetgever heeft met deze regeling willen bereiken dat een natuurlijke persoon die in een problematische financiële situatie verkeert, niet tot in lengte der dagen achtervolgd kan blijven worden door zijn schuldeisers. Na afloop van de schuldsaneringsregeling wordt de schuldenaar in beginsel de zogenaamde 'schone lei' toegekend.2 In de schuldsaneringsregeling zijn er derhalve twee mogelijkheden om de niet-voldane vorderingen om te zetten in natuurlijke verbintenissen: indien de schuldsaneringsregeling eindigt door een akkoord (art. 340 Fw) en in de situatie dat de schuldsaneringsregeling eindigt door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst (art. 356 Fw). De wet schrijft in het laatste geval in art. 358 Fw expliciet voor dat alsdan de niet-voldane vorderingen niet langer afdwingbaar zijn.
De vragen die hiervoor met betrekking tot art. 3.13 Wet IB zijn besproken, zijn ook van toepassing in het geval de schuldsaneringsregeling eindigt door een akkoord en wanneer de regeling eindigt door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst. Voor het akkoord zijn deze vragen in de voorgaande paragrafen besproken. Met betrekking tot het verbindend worden van de slotuitdelingslijst heb ik verdedigd dat ook een schuldenaar wiens faillissement is geëindigd door het verbindend worden van de slotuitdelingslijst, gebruik zou moeten kunnen maken van de fiscale faciliteit van art. 3.13 Wet IB. De situatie van het hiervoor besproken arrest van 1992 is gelijk aan de situatie van art. 356 lid 2 Fw. In het licht van voornoemd arrest dient aangenomen te worden dat, indien de schuldsaneringsregeling wordt beëindigd op grond van art. 356 lid 2 Fw, de schuldenaar geen gebruik moet kunnen maken van de regeling van art. 3.13 Wet IB. In deze situatie kan immers evenmin worden gesproken van 'prijsgeven' van rechten in de zin van art. 3.13 Wet IB. Voor de schuldenaar zou dit betekenen dat hij op grond van art. 3.8 Wet IB over de niet-voldane vorderingen in beginsel belasting zou zijn verschuldigd. Deze conclusie is echter niet te rijmen met de 'schone-lei' gedachte van de schuldsaneringsregeling. Dit is ook opgemerkt door een lid uit de Eerste Kamer3 naar aanleiding van een artikel van Van Oers.4 Naar aanleiding hiervan heeft de toenmalige staatssecretaris van Financiën in 1999 een goedkeuringsbesluit doen uitgaan.5 In dit besluit heeft hij toegezegd dat in het geval de schuldsaneringsregeling wordt beëindigd, waarbij op grond van de wet (art. 358 lid 1 Fw) natuurlijke verbintenissen overblijven, de regeling van art. 3.13 Wet IB niettemin van overeenkomstige toepassing is. De staatssecretaris:
"Op grond van deze wetgeving kunnen schuldeisers een natuurlijk persoon die in een problematische financiële positie is terechtgekomen, niet tot in lengte van jaren achtervolgen (de zogenaamde "schone-leigedachte"). De vraag is opgekomen of de kwijtscheldingswinstregeling van artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 van toepassing is indien de schuldsaneringsregeling is beëindigd zonder dat een akkoord met de schuldeisers is bereikt. Dan ontstaat immers voor het onvoldane deel van de schuld op grond van artikel 358, eerste lid, van de Faillissementswet van rechtswege een natuurlijke verbintenis waardoor in zoverre geen sprake is van het prijsgeven van niet voor verwezenlijking vatbare rechten door schuldeisers. Om onzekerheid op dit punt weg te nemen, keur ik, vooruitlopend op wetswijziging terzake, goed dat het bepaalde in artikel 8, eerste lid, onderdeel c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 van overeenkomstige toepassing is voor zover ingevolge artikel 358, eerste lid, van de Faillissementswet vorderingen niet langer afdwingbaar worden."6
De motivering van het besluit van de staatssecretaris van financiën om te zijner tijd art. 8 lid 1 onderdeel c Wet IB 1964 (het huidige art. 3.13 lid 1 onder a Wet IB 2001) aan te passen, geldt echter evenzeer voor de drie akkoorden die tot stand kunnen komen onder de Faillissementswet en voor de hiervoor genoemde situatie uit het arrest van 1992. Indien de staatssecretaris meent dat in het geval van art. 358 lid 1 Fw niet kan worden gesproken van het prijsgeven van vorderingsrechten door de schuldeisers, dan kan evenmin bij akkoorden waarbij de restantvorderingen van rechtswege overblijven als natuurlijke verbintenissen, sprake zijn van het prijsgeven van vorderingsrechten. De schuldenaar wiens faillissement is beëindigd door een akkoord zou dan zonder een besluit van de staatssecretaris evenmin een beroep kunnen doen op de regeling van art. 3.13 Wet IB. Uit de motivering blijkt echter dat het voorgaande niet door de staatssecretaris wordt onderkend. Hij gaat er zonder meer van uit dat een akkoord onder de werking van art. 3:13 Wet IB valt, terwijl er ook dan sprake is van natuurlijke verbintenissen.7