Einde inhoudsopgave
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/7.3.3
7.3.3 “Hij die jegens een ander” – algemeen
mr. drs. J.J. van der Helm, datum 01-01-2023
- Datum
01-01-2023
- Auteur
mr. drs. J.J. van der Helm
- JCDI
JCDI:ADS692161:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van der Wiel 2004/9.
Vgl. HR 2 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1983, NJ 1996/569.
HR 21 januari 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4526, NJ 1983/252 m.nt. J.A. Borman.
HR 4 februari 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4541, NJ 1985/21, m.nt. M. Scheltema.
HR 10 juni 1955, ECLI:NL:HR:1955:AG2012, NJ 1955/552 m.nt. L.E.H. Rutten. Zie ook Van Nispen 1978/82 e.v. Een uitzondering is te vinden in de gevallen waarin een directe actie tegen een verzekeraar bestaat en de verzekeraar bijvoorbeeld kan worden gedwongen mee te werken aan een deskundigentraject.
HR 16 december 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC6138, NJ 1978/561 m.nt. W.H. Heemskerk.
321. Met de woorden ‘jegens een ander’ komt tot uitdrukking dat schending van een rechtsplicht niet jegens alle andere rechtssubjecten verboden en dus onrechtmatig is, maar slechts jegens een bepaald ander rechtssubject.1 Met de woorden ‘een ander’ in art. 3:296 lid 1 BW is dan ook de aanspraakgerechtigde bedoeld. Bij nakomingsvorderingen is dat de persoon jegens wie de verbintenis moet worden uitgevoerd. Bij onrechtmatige daden gaat het om het (toekomstige) slachtoffer van die onrechtmatige daad. In de regel hoeft deze eis geen problemen op te leveren. Zoals ik hierna zal bespreken kan ook een collectiviteit van personen optreden (zie paragraaf 12.2). Verder verdient opmerking dat ook een ander dan de aanspraakgerechtigde voor die aanspraakgerechtigde in rechte kan optreden, bijvoorbeeld op grond van een procesvolmacht.2 En op grond van art. 3:171 BW kan een deelgenoot ook ten behoeve van de gemeenschap rechtsvorderingen ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak instellen. De vordering strekkende tot het geven van een bevel of verbod neemt in dit verband echter geen bijzondere plaats in.
322. In de woorden ‘hij die jegens een ander’ ligt voorts besloten van wie iets gevorderd kan worden en dus aan wie een verbod of bevel kan worden opgelegd. Als uitgangspunt heeft te gelden dat het wordt opgelegd aan degene op wie de rechtsplicht rust om iets te doen of niet te doen. De Hoge Raad overwoog in dit verband in een arrest van 21 januari 1983 dat bij beoordeling van de vraag of een bevel of verbod kan worden uitgesproken beoordeeld moet worden of er voor de aangesproken partij ten tijde van het rechterlijk oordeel een geschreven of ongeschreven rechtsplicht bestaat die ertoe strekt dat de bevolen handeling moet worden verricht.3 Dit arrest heeft, net als een arrest van 4 februari 1983 waarin een vergelijkbare overweging voorkomt, ook en vooral betrekking op de vraag op welk moment voldaan moet zijn aan de vereisten voor het opleggen van een bevel of verbod, maar maakt evenzeer duidelijk aan wie het kan worden opgelegd, namelijk aan de partij op wie een bepaalde rechtsplicht rust.4 Oplegging van een bevel of een verbod aan een ander dan degene op wie de rechtsplicht rust, is in beginsel dan ook niet mogelijk. Een aansprakelijkheid voor andermans fouten biedt geen grondslag voor het opleggen van een bevel of verbod.5 Het is ook moeilijk in te zien waartoe dat zou moeten strekken.
323. Dat laat onverlet de mogelijkheid dat het laten voortduren van andermans handelen, of het meewerken daaraan, onrechtmatig kan zijn zodat daardoor ook een eigen rechtsplicht wordt geschonden. Een al wat ouder voorbeeld daarvan is te vinden in het arrest van de Hoge Raad van 16 december 1977 waarin de AMRO Bank ontruiming vorderde van een aantal aan haar toebehorende, maar gekraakte onroerende zaken.6 De AMRO Bank richtte haar vordering tegen een van de krakers, die er blijkens het arrest van het hof alles aan deden hun anonimiteit te waarborgen. Die kraker, Hiep genaamd, mocht blijkens het arrest van de Hoge Raad, vanwege de nauwe samenwerking bij het kraken van de panden, worden bevolen de panden te ontruimen met eenieder die zich ten tijde van de executie van het bevel daar ophoudt.
324. In huurzaken is het gebruikelijk dat een gewezen huurder die het gehuurde moet ontruimen, wordt bevolen het gehuurde ‘met de zijnen’ te ontruimen. Daarmee heeft het bevel ook gevolgen voor eventuele derden, maar het grijpt onverminderd aan op de rechtsplicht van de gewezen huurder, die voor de ontruiming van het gehuurde verantwoordelijk is.