De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht
Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.2.2.2:7.2.2.2 Bescherming tegen veroorzaakte toestand die het civiele recht vermogensrechtelijk waardeert?
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.2.2.2
7.2.2.2 Bescherming tegen veroorzaakte toestand die het civiele recht vermogensrechtelijk waardeert?
Documentgegevens:
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284522:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
415. De belangenbenadering raakt echter wel aan een lastig punt van de geldende relativiteitsleer. Normen willen namelijk niet steeds (enkel) bescherming bieden tegen schade in vermogensrechtelijke zin. We zagen in §3.3 al dat er (soms) een onderscheid bestaat tussen de schade en de (fysieke) toestand die een bepaald handelen veroorzaakt. Zo’n zelfde onderscheid bestaat ten aanzien van het beschermingsbereik van normen. Sommige normen willen namelijk ook, of zelfs in de eerste plaats, beschermen tegen het ontstaan van zo’n (fysieke) toestand. Veiligheidsnormen willen bijvoorbeeld in de eerste plaats voorkomen dat iemand fysiek letsel oploopt. Het civiele recht waardeert vervolgens dat fysieke letsel in vermogensrechtelijke zin. Andere schade, zoals inkomensderving, komt daar weer achteraan.
416. Dit onderscheid tussen hetgeen waartegen de norm daadwerkelijk wil beschermen en de vermogensrechtelijke waardering daarvan komt ook in andere gedaanten voor. Zo wil een geluidsnorm bijvoorbeeld allereerst beschermen tegen geluidsoverlast. Die geluidsoverlast heeft weer verminderd woongenot tot gevolg. Het civiele recht waardeert dat gederfde woongenot vervolgens weer in vermogensrechtelijke zin en noemt dat ‘de schade’. Dezelfde stap maakt het civiele recht bij immateriële schade wegens bijvoorbeeld schending van de persoonlijke levenssfeer of smartengeld na het toebrengen van letsel. De norm wil natuurlijk in de eerste plaats die levenssfeer beschermen en die smart en dat letsel voorkomen. Het civiele recht waardeert die schending van de persoonlijke levenssfeer resp. de smart echter vermogensrechtelijk – naar billijkheid ex art. 6:106 BW.
417. Het civiele recht onderkent dus dat niet alle normen direct gericht zijn op het voorkomen van vermogensrechtelijk nadeel. Het verbindt aan schending van zulke niet-vermogensrechtelijk gerichte normen echter wel – eigenlijk bij gebrek aan beter – een plicht tot schadevergoeding. Het civiele recht biedt in zo’n geval dus eigenlijk, wat ik zou willen noemen, vermogensrechtelijke bescherming. Het zou daarom volgens mij beter zijn te zeggen dat de relativiteit de vraag inhoudt of, en in hoeverre, de geschonden norm beschermt tegen een bepaalde toestand. Daarna volgt de vraag hoe het civiele recht die toestand vermogensrechtelijk beschermt. Bij bescherming van niet-vermogensrechtelijke toestanden, zoals fysiek letsel, geluidsoverlast etc., is dus eigenlijk de vraag of de geschonden norm tegen het intreden van die toestand beschermt. De intredingsrelativiteit ziet in deze benadering op de wijze waarop die toestand intreedt.
418. Ik houd hierna voor de overzichtelijkheid de door de Hoge Raad gehanteerde terminologie aan. Het is volgens mij echter goed voor ogen te houden dat voornoemde onderscheiden bestaan en invloed hebben op het denken over de relativiteit van de norm.