Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/4.5.1.4
4.5.1.4 De Hoge Raad
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174181:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Zie de bijzondere voorschriften over de organisatie en bevoegdheden van de Hoge Raad in de artikelen 72-83 Wet RO.
Zoals uit de omschrijving van de bevoegdheden blijkt, heeft de term ‘kamer’ in de Hoge Raad min of meer dezelfde betekenis als ‘afdeling’ in de rechtbanken en gerechtshoven. De Hoge Raad gebruikt voor de eenheden die concrete zaken behandelen de termen zetel, formatie of samenstelling (Hammerstein 2015; Simons 1996, p. 93-94). Deze terminologie wordt ook in deze paragraaf gehanteerd.
De Hoge Raad is sinds 1915 belast met cassatierechtspraak in belastingzaken (Wet van 19 december 1914, Stb. 1914, 564). Tot die tijd wezen de civiele en strafkamer arrest in belastingzaken. Een afzonderlijke belastingkamer bestaat sinds 1919 (Pechler 2009, p. 301).
Zie nader over de klachtenregeling bij de Hoge Raad: Laemers 2011, p. 253-293.
In de Wet RO heeft het begrip ‘de Hoge Raad’ verschillende betekenissen. Met ‘de Hoge Raad’ kan worden gedoeld op het instituut (art. 72), op de gerechtsvergadering van raadsheren (art. 73-75) en op de meervoudige kamer die kennisneemt van een zaak (art. 76-79).
In de praktijk zijn ook andere raadsheren van de Hoge Raad dan de leden van de zetel bij de behandeling van de zaak betrokken. Zie Bakels 2015, p. 928-929, en voor kritiek op deze praktijk: Jessurun d’Oliveira 2016.
De enkelvoudige kamers worden bij toerbeurt bezet door de raadsheren van de meervoudige kamer.
Niessen & Bergman 2006, p. 33.
Dergelijke strafzaken hebben zich nauwelijks voorgedaan. In 1868 werd minister Pels Rijcken van Marine door de Hoge Raad veroordeeld tot een boete van tien gulden of een dag gevangenisstraf, omdat hij zijn hond vrij had laten rondlopen in een gemeente waar dat wegens een uitbraak van veetyfus verboden was. Tot 1884 werden alle strafbare feiten door genoemde ambtsdragers, en niet alleen ambtsdelicten, vervolgd voor de Hoge Raad. Ernstiger was de strafzaak tegen Eerste Kamerlid Pincoffs, die in 1880 door de Hoge Raad in een kamer van twaalf raadsheren tot acht jaar cel werd veroordeeld vanwege valsheid in geschrifte en bedrieglijke bankbreuk. Pincoffs heeft zijn straf nooit uitgezeten, omdat hij tijdig naar de Verenigde Staten was gevlucht (Algemeen Handelsblad, ‘Hooge Raad der Nederlanden. Proces L. Pincoffs-H. Kerdijk’, 26 februari 1880; Kok & Arnbak-d’Aulnis de Bourouill 2009, p. 95).
Drion 2016.
Zoals vermeld in paragraaf 4.5.1.2 bestaat in Nederland wel een grote kamer van vijf leden.
Organisatie
De Hoge Raad neemt als hoogste rechterlijke instantie in Nederland een bijzondere positie in binnen de rechterlijke macht. Dit komt tot uitdrukking in de functie van de Hoge Raad als cassatierechter in civiele zaken (art. 398 Rv), strafzaken (art. 427, eerste en tweede lid, Sv) en belastingzaken (art. 28 Awr) voor het hele Koninkrijk der Nederlanden1 en ook in zijn inrichting en werkwijze.2
De Hoge Raad bestaat uit een president, ten hoogste zeven vicepresidenten, ten hoogste dertig raadsheren en ten hoogste vijftien raadsheren in buitengewone dienst (art. 72, eerste lid, Wet RO). De Raad vormt op voorstel van de president een of meer meervoudige kamers en, voor de gevallen waarin de wet dat voorschrijft, ook een of meer enkelvoudige kamers. De Hoge Raad bepaalt tevens welke raadsheren daarin plaatsnemen (art. 75, eerste lid, Wet RO).
Zaakstoedeling
De Hoge Raad is verdeeld in vier meervoudige en drie enkelvoudige kamers (art. 75, vierde lid, Wet RO jo. art. I Reglement van Inwendige Dienst, RvID).3 De eerste meervoudige kamer neemt hoofdzakelijk kennis van burgerlijke zaken (de civiele kamer), de tweede meervoudige kamer van strafzaken (de strafkamer), de derde meervoudige kamer van belastingzaken (de belastingkamer)4 en de vierde meervoudige kamer is de ombudskamer. Hierin behandelt de Hoge Raad vorderingen van de procureur-generaal tot schorsing of ontslag van rechtsprekers. De kamer doet ook onderzoek naar hun gedragingen indien over hen is geklaagd en ze neemt kennis van wraking of verschoning van leden van de Hoge Raad. De ombudskamer wordt ad hoc samengesteld uit de leden van de overige meervoudige kamers. De president of een vicepresident treedt op als voorzitter (art. XI, eerste lid, RvID).5 De civiele kamer behandelt tevens ‘de overige gevallen’ en functioneert aldus als restrechter (art. VIII RvID). De Hoge Raad spreekt nooit recht in een kamer waarin alle raadsheren plaatshebben (en banc), zoals het Amerikaanse Hooggerechtshof.
De Hoge Raad neemt in eerste en laatste aanleg ook kennis van jurisdictiegeschillen tussen de gerechten. Deze zaken worden behandeld door de meervoudige kamer voor zover het een onderwerp betreft waarvan de kamer kennisneemt (art. 77 Wet RO jo. art. II, eerste lid onder f, art. III, eerste lid onder i en art. IV onder f RvID).6
Behandeling en verwijzing
Civiele, straf- en belastingzaken worden door onderscheiden kamers van de Hoge Raad behandeld. Een kamervoorzitter verwijst een zaak naar een andere kamer, als zijn kamer ingevolge het Reglement van inwendige dienst ‘niet geroepen is tot kennisneming van de zaak’ of als hij vindt dat de zaak beter door een andere kamer kan worden beslist (art. IX RvID). Op verzoek van een procespartij worden de namen van de raadsheren meegedeeld die over haar zaak zullen beslissen (art. XI, tweede lid, RvID).
Zoals gezegd gebeurt de inhoudelijke behandeling van zaken in de Hoge Raad in beginsel door een zetel van vijf leden (art. 75, tweede lid, Wet RO jo. art. 17, eerste lid, Rv en art. 21, tweede lid sub c, Sv). Deze formatie wordt samengesteld uit leden van de kamer die bevoegd zijn tot behandeling. De voorzitter van de formatie waar een zaak aan is toebedeeld, kan bepalen dat een zaak die hij daarvoor geschikt acht door drie leden van de formatie wordt behandeld. Wanneer de zaak volgens een van deze leden ongeschikt is om in een college van drie te behandelen, wordt de behandeling voortgezet door vijf leden (art. 75, derde lid, Wet RO).7
De inbehandelingneming en verwijzing van zaken binnen de eerste drie kamers is als volgt geregeld. Civiele zaken worden op de rol van de enkelvoudige kamer ingeschreven en door haar behandeld (maar niet beoordeeld en beslist).8 Deze kamer verwijst naar de meervoudige civiele kamer als pleidooi wordt gevraagd, tenzij schriftelijke toelichtingen volstaan, als recht op stukken wordt verzocht of als zij verwijzing wenselijk acht (art. 408a, eerste en tweede lid, Rv, jo. art. VI RvID).
Strafzaken worden in behandeling genomen (maar niet beoordeeld en beslist) op een openbare terechtzitting van de enkelvoudige kamer van de Hoge Raad. De enkelvoudige kamer verwijst een zaak naar de meervoudige kamer, wanneer de raadsman van de verdachte te kennen heeft gegeven de cassatiemiddelen mondeling te willen toelichten dan wel het door het openbaar ministerie ingestelde cassatieberoep mondeling te willen tegenspreken, en niet wordt volstaan met het overleggen van een schriftelijke toelichting; wanneer de advocaat van de benadeelde partij te kennen heeft gegeven de middelen van de benadeelde partij mondeling te willen toelichten, en niet wordt volstaan met het overleggen van een schriftelijke toelichting; wanneer zij de dag voor de uitspraak bepaalt; of wanneer zij verwijzing wenselijk acht (art. 438, eerste en tweede lid, Sv, jo. art. VII RvID). De meervoudige kamer verwijst een strafzaak terug naar de enkelvoudige kamer, ‘indien zulks in enige stand van het geding nodig is’ (art. 438, derde lid, Sv). De uitspraak gebeurt op een zitting van de enkelvoudige kamer (art. 443 Sv).
De Hoge Raad neemt ook kennis van het beroep in cassatie tegen uitspraken van de bestuursrechter, voor zover dit bij wet is bepaald (art. 78, vierde lid, Wet RO). Zo kunnen in rijksbelastingzaken belanghebbenden die bevoegd waren om hoger beroep bij het gerechtshof in te stellen bij de Hoge Raad cassatieberoep instellen tegen bepaalde uitspraken van het gerechtshof en de rechtbank (art. 28 Awr). Logischerwijs fungeert de derde enkelvoudige kamer als rolraadsheer voor de belastingkamer. De werkzaamheden van deze kamer worden in het RvID echter niet vermeld, wellicht omdat slechts in een klein deel van de belastingzaken nog ter zitting wordt gepleit. Meestal worden de zaken slechts schriftelijk toegelicht.9 Ook de uitspraak wordt schriftelijk gedaan (art. 29e Awr).
Verkorte afdoening
De Hoge Raad kan sinds 1 juli 2012 kansloze beroepen in cassatie al bij binnenkomst van de zaak niet-ontvankelijk verklaren (art. 80a Wet RO). Wel dient eerst de procureur-generaal te worden gehoord. De Hoge Raad zal een beroep niet-ontvankelijk verklaren wanneer de partij die het cassatieberoep instelt klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het beroep of wanneer de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Door deze selectie aan de poort houdt de Hoge Raad meer tijd over voor cassatieberoepen die van belang zijn voor de rechtsontwikkeling en rechtseenheid. In een procedure van artikel 80a Wet RO kan de Hoge Raad zich bij de vermelding van de gronden van zijn beslissing beperken tot het oordeel ‘niet-ontvankelijk’. Als een zaak wel ontvankelijk is, maar de aangevoerde klacht naar het oordeel van de Hoge Raad niet tot cassatie kan leiden en niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, kan de Hoge Raad zich bij de vermelding van de gronden van zijn beslissing beperken tot dit oordeel (art. 81 Wet RO). Cassatieberoepen op grondslag van artikel 80a dan wel artikel 81 worden behandeld door een meervoudige kamer van drie leden (art. 80a, derde lid, resp. art. 81, tweede lid, Wet RO).
Bijzondere cassatiezaken
Enkele bijzondere zaken behandelt de Hoge Raad in een kamer die op andere wijze wordt samengesteld dan gebruikelijk. Dat geldt bijvoorbeeld voor zaken waarin een minister, staatssecretaris of lid van de Staten-Generaal wordt verdacht van het plegen van een ambtsmisdrijf of -overtreding (art. 119 Gw jo. art. 76 Wet RO). De Hoge Raad is hier als enige rechter toe bevoegd. Men spreekt in dit verband van de Hoge Raad als forum privilegiatum. Volgens artikel X van het Reglement van inwendige dienst vult de president de eerste en de tweede meervoudige kamer hiervoor aan tot zoveel leden als artikel 76 Wet RO voorschrijft, dat wil zeggen tot tien leden. Gezien het huidige aantal leden van de eerste en tweede kamers is echter geen aanvulling nodig. Bij staking van stemmen wordt uitspraak in het voordeel van de verdachte gedaan.10
De Hoge Raad behandelt ook bepaalde in de wet omschreven herzieningszaken in een formatie van tien raadsheren. Net als in bovengenoemd geval beslist hij met meerderheid van stemmen en krijgt de verdachte in geval van staking van stemmen het voordeel van de twijfel (art. 477, eerste lid, Sv). Deze formaties van tien raadsheren zijn de enige voorbeelden van een kamer in het Nederlandse rechtssysteem die uit een even aantal leden bestaat.
Andere wettelijke gronden voor behandeling van een zaak door een dergelijke grote kamer van de Hoge Raad zijn er niet. In de literatuur wordt wel gesproken over de mogelijkheid dat de Hoge Raad in door hemzelf gekozen zaken uitspraak doet in een grote kamer, waarmee de Raad kenbaar maakt dat hij een zaak van bijzonder belang voor de rechtsontwikkeling vindt. In arresten van de Hoge Raad is niet uitdrukkelijk vermeld of een zaak van zodanig belang is dat ze precedentwerking dient te hebben, wat aanleiding is voor exegese door Hoge Raad-watchers om elke zaak onder de loep te leggen op zoek naar aanwijzingen die daarop zouden wijzen. Volgens Drion zou instelling van een grote kamer bijdragen aan een betere duiding van de arresten en het gezag van de Hoge Raad kunnen vergroten.11 Nederland zou daarmee aansluiten op een traditie in internationale en buitenlandse jurisdicties. Het Hof van Justitie van de Europese Unie, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Duitse Bundesverfassungsgericht kennen deze mogelijkheid immers.12