Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht
Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/2.5.4.4:2.5.4.4 Mogelijk conflicterende bepalingen
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/2.5.4.4
2.5.4.4 Mogelijk conflicterende bepalingen
Documentgegevens:
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS566197:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
A-G Wattel, conclusie van 16 februari 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AV4976, merkt in dit verband in r.o. 8 terecht op dat zowel over de interpretatie van het nationale recht als over de toepassing van het unierecht anders kan worden gedacht.
Rb. Haarlem 8 maart 2011, ECLI:NL:RBHAA:2011:BQ1297, r.o. 4.7; Hof Amsterdam 7 maart 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ4633, r.o. 6.8-6.10, 6.15 (strafmaatverweer).
Hof ’s-Hertogenbosch 1 maart 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:BZ4338, r.o. 4.10.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De rechter gaat bij interpretatie en toepassing van het recht niet alleen uit van het nationale recht maar, indien en voor zover relevant, ook van de eenieder verbindende bepalingen uit het unierecht of uit de besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
Als verschillende bepalingen uit het nationale recht, het unierecht of het internationale recht tegelijkertijd van toepassing zijn, kan dat leiden tot verschillende denkbare uitkomsten van het belastinggeschil en daarmee tot ruimte voor een pleitbaar standpunt. Die mogelijk verschillende uitkomsten ontstaan hierbij niet zozeer door de rangorde van het nationale belastingrecht ten opzichte van het unierecht of het internationale recht – in beginsel gaat immers het unierecht of het internationale recht voor1 – maar veeleer door de vraag of de interpretatie of toepassing van een bepaling uit het nationale belastingrecht in overeenstemming is met het unierecht of het internationale recht. Om dat te beoordelen moeten zowel het nationale belastingrecht als het unierecht of het internationale recht worden geïnterpreteerd.2 Als de interpretatie of toepassing van de nationale bepaling niet in overeenstemming is met een eenieder verbindende bepaling uit het unierecht of het internationale recht, is bovendien niet op voorhand duidelijk wat de gevolgen zijn voor de uitleg of toepassing van de bepaling uit het nationale belastingrecht.
Er zijn inderdaad uitspraken van de rechter in feitelijke instantie waarin het oordeel dat een standpunt pleitbaar is, is onderbouwd met de vaststelling dat de belastingkamer van de Hoge Raad of het Hof van Justitie van de Europese Unie zich ten tijde van het doen van de aangifte nog niet had uitgelaten over de vraag of de interpretatie of toepassing van de desbetreffende bepaling uit het nationale belastingrecht in overeenstemming is met het unierecht.3 Deze jurisprudentie zegt overigens ook iets over het hiervoor in paragraaf 2.5.2.2 besproken moment aan de hand waarvan wordt beoordeeld of een standpunt pleitbaar is.
Daarnaast kan het belastinggeschil tot verschillende uitkomsten leiden als het onzeker is of de interpretatie of toepassing van een bepaling uit de lagere wetgeving, zoals een uitvoeringsbesluit of een ministeriële regeling, in overeenstemming is met de wet in formele zin. Hierin ligt naar mijn mening de verklaring voor de hiervoor in paragraaf 2.5.3 genoemde beslissing van de rechter in feitelijke instantie dat de belastingplichtige die tevergeefs heeft gesteld dat een bepaling uit het Uitvoeringsbesluit Belastingen van Rechtsverkeer 1971 in strijd is gekomen met de wet in formele zin, een pleitbaar standpunt heeft ingenomen.4 Deze onderbouwing is echter niet met zoveel woorden terug te vinden in de desbetreffende uitspraak.