De huur van ongebouwde onroerende zaken: een leemte in de wet
Einde inhoudsopgave
De huur van ongebouwde onroerende zaken (R&P nr. VG8) 2017/4.4.6:4.4.6 Conclusie
De huur van ongebouwde onroerende zaken (R&P nr. VG8) 2017/4.4.6
4.4.6 Conclusie
Documentgegevens:
mr. E.H.M. Swaneveld-Bakelaar, datum 26-04-2016
- Datum
26-04-2016
- Auteur
mr. E.H.M. Swaneveld-Bakelaar
- JCDI
JCDI:ADS380110:1
- Vakgebied(en)
Huurrecht / Bijzondere onderwerpen
Huurrecht / Verplichtingen huurder en verhuurder
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de vergelijking van de positie van de erfpachter met die van de huurder van een ongebouwde onroerende zaak paragraaf 4.3.6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het voorgaande volgt dat de positie van de opstaller met een zelfstandig opstalrecht grotendeels overeenkomt met die van de erfpachter.1 Ook deze opstaller heeft derhalve een sterkere positie dan de huurder van een ongebouwde onroerende zaak, met name vanwege de bescherming van de opstaller tegen beëindiging van het recht door de eigenaar. De opstaller kan plannen maken voor het gebruik van de opstallen voor een langere tijd. Deze bescherming strookt met de belangen van de opstaller, die immers op eigen kosten bebouwing op de grond van een ander aanbrengt. De daarmee gepaard gaande investeringen moet de opstaller (zo veel mogelijk) kunnen terugverdienen.
De positie van de opstaller met een afhankelijk opstalrecht is, als het opstalrecht afhankelijk is van een huurovereenkomst, vrijwel gelijk aan de positie van de huurder van een ongebouwde onroerende zaak. Deze opstaller kan weliswaar in bepaalde gevallen aanspraak hebben op een vergoeding voor de door hem gestichte gebouwen, werken en beplantingen, doch die aanspraak kan in zo veel gevallen in de akte van vestiging worden uitgesloten dat dit veelal slechts in theorie een betere positie geeft aan de opstaller.