Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/6.1.1
6.1.1 De grond
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS489140:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Of zoals Ploeger stelt: “Roerende zaken, zoals een dier een steen, een fiets, een auto, een muntstuk vormen altijd een van hun omgeving afgescheiden geheel, een fysieke eenheid van nature. Aan die eenheid ontlenen zij hun zelfstandigheid en daarmee de benodigde individualiteit om ook als ‘zaak’ in het rechtsverkeer aangemerkt te kunnen worden.” Zie H.D. Ploeger, ‘Grond en grenzen; erven en percelen’, in: Naar een meer positief stelsel van grondboekhouding?(Preadviezen uitgebracht voor de Vereniging voor Burgerlijk Recht 2003), Deventer: Kluwer 2003, p. 65.
J.PH. Suijling, Inleiding tot het burgerlijk recht, 5e stuk, Zakenrecht, Haarlem: De erven F. Bohn 1940, p. 35.
Heyman en Bartels stellen: “Niet door wijziging van de feitelijke situatie in combinatie met de verkeersopvatting (art. 3:4 lid 1 BW), maar uitsluitend door een door het recht gesanctioneerde grensafbakening wordt bepaald welk stuk van het aardoppervlak als één zaak heeft te gelden.” Zie: H.W. Heyman & S.E. Bartels, Vastgoedtransacties. Koop, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2012, p. 34.
Online geraadpleegd via: www.vandale.nl, d.d. 29 september 2015.
Grond vormt de basis voor de kwalificatie als onroerende zaak en wordt dan ook als eerste genoemd in de definitie van een onroerende zaak, neergelegd in art. 3:3 lid 1 BW. Gebouwen en werken zijn enkel onroerend indien zij duurzaam verenigd zijn met de grond. Voor beplantingen geldt geen vereiste van duurzaamheid, maar is vereniging met de grond voldoende. Tot slot zijn onroerend: de nog niet gewonnen delfstoffen die zich in de grond bevinden.
De grond neemt een bijzondere plaats in, in het goederenrecht. Voor alle andere zaken geldt dat de fysieke grenzen ook de grenzen van het eigendomsrecht op die zaak bepalen.1 Zoals Suijling stelde:
“Grondstukken ontleenen hunne individualiteit aan hunne grenzen. Daar de aardbodem één zamenhangende massa is, kunnen hunne grenzen slechts gedacht worden. De wet regelt den loop dezer ideëele afscheiding.”2
Bij grondstukken ontbreekt veelal een zichtbare afscheiding,; de grenzen in het platte vlak worden door menselijk ingrijpen bepaald.3‘Veelal’, omdat de eigendomsgrens van een grondstuk soms gelijk valt met een visuele afscheiding. Of zoals Ploeger het verwoordt:
In het Burgerlijk Wetboek, noch in de Parlementaire Geschiedenis is een definitie van ‘grond’ opgenomen. De Van Dale omschrijft grond als de ‘oppervlakte van de aarde’.4 Voor juristen zal grond een gedeelte van de aardkorst zijn, dat vatbaar is voor eigendom, vaak aangeduid met de term ‘perceel’.