De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep
Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/2.2.8.2:2.2.8.2 Deontologie van de architecten
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/2.2.8.2
2.2.8.2 Deontologie van de architecten
Documentgegevens:
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS389193:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook architecten zijn, op grond van mijn definitie, aan te merken als beroepsbeoefenaren. De beroepsorganisatie van architecten heet de BNA (Bond Nederlandse Architecten).1 In mei 1959 verscheen er een publicatie van de BNA over maatschapsovereenkomsten tussen architecten. Uit deze publicatie blijkt dat een samenwerkingsvorm tussen architecten in drie typen kon worden onderscheiden: er was de kantoorassociatie, de samenwerking ad hoc en de volledige associatie.2 De kantoorassociatie betrof het voor gemeenschappelijke rekening genieten van kantoorruimte, kantooroutillage en personeelsdiensten, terwijl de beroepsuitoefening zelf gescheiden geschiedde. De samenwerking ad hoc had slechts betrekking op het samenwerken aan één bepaalde opdracht of één bepaalde categorie van opdrachten. De eerste variant van deze vorm van samenwerking kwam niet zo veel voor, de tweede al meer.3 Van groter belang was het derde type samenwerkingsvorm: de volledige associatie. Deze volledige associatie hield in dat architecten hun praktijk gezamenlijk en voor gemeenschappelijke rekening en risico uitoefenden. Volledige associaties met twee architecten kwamen het meeste voor. Lange tijd was deze laatst besproken vorm van samenwerking gegoten in de rechtsvorm van de maatschap.4
Naast de BNA bestond in 1959 ook de Architectenraad, die zich onder andere bezighield met het opstellen van ereregelen en de (tuchtrechtelijke) handhaving daarvan. Op architecten waren de Algemene Regelen van 1956 van toepassing evenals de Erecode, die gold voor architecten die waren ingeschreven in het Architectenregister. In deze regelen werd niet voorgeschreven dat architecten zich enkel in maatschapsverband konden organiseren. Wel werd over de taak van de architect vermeld dat de vrijheid en de zelfstandigheid waarover de architect moest beschikken, wilde hij zijn taak van vertrouwensman en raadsman goed kunnen vervullen, niet in en door een associatie mochten worden aangetast. Evenmin mocht de associatie de Erecode aantasten. Daarnaast moest toestemming aan de Architectenraad worden gevraagd, wilde men met personen die niet in het Architectenregister waren ingeschreven in enig deelgenootschap treden. Zoals eerder vermeld, was de maatschap in eerste instantie de enige vorm van associatie voor architecten. Dit veranderde met de opkomst van architecten-NV’s. De behoefte hieraan werd gevoeld vanwege continuïteitswensen, financiering en oudedagsvoorziening.5 De Architectenraad en de BNA besloten deze ‘nieuwe’ associatievorm niet te verbieden, onder de voorwaarde dat de statuten waarborgen zouden bevatten tegen vreemde invloeden op de wijze van uitoefening van het architectenberoep, door bijvoorbeeld het bezit van aandelen of het vervullen van de functie van directeur of commissaris. Tevens moest het persoonlijk element in de uitoefening van de praktijk in strikte overeenstemming met de Erecode blijven. De BNA had naar aanleiding van deze ontwikkeling regels voorgeschreven waaraan de statuten van een dergelijke NV moesten voldoen. Het betrof onder andere de regels dat alle aandelen op naam moesten luiden, alle aandeelhouders directeur dienden te zijn en alle directeuren aandeelhouders, en slechts architecten die waren ingeschreven in het Architectenregister aandeelhouder konden zijn. Eveneens gaf de BNA een omschrijving van het doel van de architecten-NV: ‘het bevorderen van het uitoefenen van het beroep van architect door in het Architectenregister ingeschreven architecten onder hun verantwoordelijkheid’.
Zoals hierboven al gezegd, tracht de BNA ook vandaag de dag nog steeds de beroepsuitoefening van de aangesloten architecten te bevorderen. De BNA-leden6 hebben afspraken gemaakt over de wijze waarop zij het vak willen uitoefenen en over de manier waarop hun beroepsorganisatie moet functioneren. Deze afspraken zijn vastgelegd in statuten, reglementen, richtlijnen, adviezen en gedragscodes. Daarnaast adviseert de BNA onder andere op zijn website aan architecten die een eigen onderneming willen beginnen over de daarvoor te kiezen rechtsvorm.7 Ook heeft de BNA Gedragsregels waar leden zich aan dienen te houden. Hierin worden eisen gesteld aan de beroepsuitoefening door de architect. De hoofdregel luidt: de architect is gehouden de opdrachtgever onafhankelijk en deskundig in een vertrouwenspositie als adviseur terzijde te staan. Ten aanzien van de rechtsvorm waarin architecten (bij voorkeur) zouden moeten samenwerken is ook in de huidige Gedragsregels geen bepaling opgenomen.