De eenzijdige rechtshandeling
Einde inhoudsopgave
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/3.4.21:3.4.21 Vertrag zugunsten Dritter (derdenbeding)
De eenzijdige rechtshandeling (O&R nr. 89) 2016/3.4.21
3.4.21 Vertrag zugunsten Dritter (derdenbeding)
Documentgegevens:
C. Spierings, datum 06-02-2016
- Datum
06-02-2016
- Auteur
C. Spierings
- JCDI
JCDI:ADS379230:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
156. Partijen bij een contract kunnen ingevolge §328 BGB overeenkomen dat een derde een recht op prestatie verkrijgt. De derde verkrijgt het recht onmiddellijk, zonder het te hoeven aanvaarden,1 maar heeft wel de mogelijkheid om het recht met terugwerkende kracht te weigeren.2 De weigering kan worden gekwalificeerd als een eenzijdige rechtshandeling.
De verhouding wordt gezien als een belofte van de ene aan de andere contractspartij om de derde een recht toe te kennen. Een bijzondere situatie ontstaat als de partij aan wie wordt beloofd, zich het recht voorbehoudt om de derde die in de overeenkomst is aangewezen, te vervangen door een ander. Dit is toegestaan op grond van §332 BGB en wordt vaak gebruikt bij een Kapitallebensversicherung. In dat geval kan één contractspartij, zonder medewerking van haar wederpartij, de oorspronkelijke derde of de nieuw aangewezen derde een recht toekennen.3
Niet alleen kan aan een derde een vorderingsrecht worden verschaft zonder zijn instemming, uit de overeenkomst kan ook worden afgeleid dat de contractspartijen zich het recht hebben voorbehouden om het recht van de derde zonder zijn instemming te beëindigen of te wijzigen.4
157. De figuur van het derdenbeding illustreert mijns inziens de betrekkelijkheid van de kwalificatie van een rechtsfiguur als eenzijdige rechtshandeling of eenzijdige overeenkomst. Naar Nederlands recht komt een derdenbeding tot stand door een overeenkomst tussen de contractspartijen enerzijds en de derde anderzijds.5 Er geldt een lage drempel voor aanvaarding: een onherroepelijk beding om niet (althans in relatie tot de derde) geldt als aanvaard als de derde, nadat hij er kennis van heeft genomen, het niet onverwijld afwijst. Naar Duits recht is het toekennen van een recht aan een derde een eenzijdige verklaring, waarbij de derde het recht kan afwijzen. Feitelijk is het dus zo dat in beide stelsels aan een derde een recht kan worden verschaft zonder dat zij daarmee hoeven instemmen, maar waarbij wel de mogelijkheid van afwijzing bestaat om verkrijging van het recht te verhinderen.