Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/1.6.5
1.6.5 Verdiepingseigendom
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS487918:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.m. A.A. van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed, Deventer: Kluwer 2015, p. 73-81, 491-495; K.J.H. Hoofs, Doorbreking van de natrekking in rechtsvergelijkend perspectief (diss. Maastricht), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2013, p. 97-101; H.W. Heyman & S.E. Bartels, Vastgoedtransacties. Koop, Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2012, p. 44-46; Pitlo/Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 708; Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008/335-342, 362; H.D. Ploeger & J. de Jong, Erfpacht en opstal, Deventer: Kluwer 2008, p. 79-80. T.H.D. Struycken, De numerus clausus in het goederenrecht (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2007, p. 627-632.; H.D. Ploeger & J.E. Stoter, ‘3D Kadaster en volumepercelen. Ruimtelijke verdeling van vastgoed’, WPNR 2005/6609; G.E. van Maanen, ‘Ondergronds en bovengronds bouwen. De juridische infrastructuur’, WPNR 1998/ 6326; H.D. Ploeger, Horizontale splitsing van eigendom (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 1997, nrs. 223-228; Asser/Davids, Mijnssen & Van Velten 3-II 1996, nr. 89; Asser/Beekhuis, Davids, Mijnssen & Van Velten 3-II 1990, nr. 310; J. Th. Smalbraak, ‘Opstalrecht of appartementsrecht’,WPNR 1975/5292; S. Pasma, ‘Opstal – onderstal – overstal’,WPNR 1975/5311; J. Th. Smalbraak, ‘Opstalrecht of appartementsrecht? – Deeleigendom of mandeligheid?’, WPNR 1975/5342.
Asser/Davids, Mijnssen & Van Velten 3-II 1996, nr. 310. Zie eveneens: Asser/ Beekhuis, Davids, Mijnssen & Van Velten 3-II 1990, nr. 89.
Zie eveneens: Th. F. de Jong, De structuur van het Goederenrecht, (diss. Groningen) Deventer: Kluwer 2006.
A.A. van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed, Deventer: Kluwer 2015, p. 73-81, 491-495.
H.D. Ploeger, Horizontale splitsing van eigendom (diss. Leiden), Deventer: Kluwer 1997, p.338. Mouthaan concludeert op grond hiervan dat het mogelijk is een opstalrecht te vestigen voor een verdieping indien deze verdieping een zelfstandige toegang heeft. Zie: B.C. Mouthaan, Opstal en erfpacht als juridische instrumenten voor meervoudig grondgebruik, Den Haag: IBR 2013, p. 41.
F.J. Vonck, De flexibiliteit van het recht van erfpacht, (diss. Groningen), Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2013, p. 61-62.
Zie hierover nader: Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels 5* 2008/249; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, Goederenrecht, nr. 708; A.A. van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed, Deventer: Kluwer 2015, p. 61; F.J. Vonck, De flexibiliteit van het recht van erfpacht, (diss. Groningen), Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2013, p. 68; K.J.H. Hoofs, Doorbreking van de natrekking in rechtsvergelijkend perspectief, (diss. Maastricht), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2013, p. 92.
De vraag of een opstalrecht gevestigd kan worden ten behoeve van een kamer in een huis of een verdieping in een gebouw is in de afgelopen decennia reeds veelvuldig in de literatuur aan de orde gekomen.1 Het zogenaamde ‘verdiepingseigendom’. De vraag in dezen is of een verdieping in een gebouw aan te merken is als gebouw of werk in de zin van art. 5:101 BW?
Mijnssen was vrij stellig dat het kan. Zo stelt hij:
“Vestiging van een opstalrecht biedt de mogelijkheid om eigendom te hebben van een ruimte in een aan een ander toebehorend gebouw. Opstalrecht maakt het immers ook mogelijk om ín de onroerende zaak van een andere een gebouw of werk te hebben.”2
Over het algemeen is de opvatting hieromtrent echter genuanceerder. Ook voor een verdieping in een gebouw geldt dat deze een zekere zelfstandigheid dient te hebben om te voldoende aan het vereiste van voldoende individualiseerbaarheid. Ook dit zal naar verkeersopvatting beoordeeld dienen te worden.3 Ven Velten stelt dat hier niet snel aan voldaan zal zijn bij bijvoorbeeld een bovenverdieping.4 Ploeger stelt dat hiervoor een ruimtelijke afscheiding en een zelfstandige toegang vereist is.5
Het zal uiteindelijk van de omstandigheden van het geval afhangen of een verdieping in een gebouw een zodanige zelfstandigheid heeft dat het aan te merken is als gebouw of werk in de zin van art. 5:101 BW, zodat het door middel van het vestigen van een opstalrecht verzelfstandigd kan worden. Vonck voegt hier aan toe dat de economische aanvaardbaarheid van de afsplitsing doorslaggevend is.6 Zo zal het een zelfstandige toegang dienen te hebben, dient het duidelijk te onderscheiden te zijn van de rest van het gebouw. Een verdieping in bijvoorbeeld een woonhuis zal zo een toets niet (snel) doorstaan. Hetzelfde geldt voor een kamer in een gebouw.
Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat mits een 3:4 BW bestanddeel naar verkeersopvatting voldoende zelfstandig, c.q. individualiseerbaar is, een opstalrecht gevestigd kan worden om natrekking te doorbreken.7 Op grond van de indirecte vereniging van art. 3:3 BW blijft zo een door middel van de vestiging van een opstalrecht verzelfstandigd 3:4 BW bestanddeel een onroerende zaak.
Het bovenstaande leidt eveneens tot de conclusie dat de indirecte vereniging ten onrechte opgenomen is in art. 5:20 lid 1 sub e BW.