Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht
Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/3.4.3.5.1:3.4.3.5.1 Kleurloos opzet in het strafrecht
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/3.4.3.5.1
3.4.3.5.1 Kleurloos opzet in het strafrecht
Documentgegevens:
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS565033:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De Hullu 2015, p. 222-224.
HR 18 maart 1952, NJ 1952/314 en NJ 1952/315.
P.J. Wattel, Fiscaal straf- en strafprocesrecht, Deventer: Kluwer 1989, p. 124; M. Kessler in zijn noot onder JIN 2007/325.
HR 24 april 2007, NJ 2007/544, ECLI:NL:HR:2007:AZ8783, r.o. 3.3, herhaald in een niet fiscale zaak door HR 21 april 2009, NJ 2009/210, ECLI:NL:HR:2009:BH2684, r.o. 4.2.
Conclusie A-G Vellinga HR 13 februari 2007, NJ 2007/544, ECLI:NL:PHR:2007:AZ8783.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het strafrecht is het uitgangspunt dat het opzet kleurloos is. Dit houdt in dat het opzet beperkt blijft tot de bestanddelen van de desbetreffende delictsomschrijving. Het opzet hoeft niet, buiten de delictsomschrijving om, te zijn gericht op de strafbaarheid of wederrechtelijkheid van het strafbare feit.1 Voor de vaststelling dat opzettelijk een onjuiste aangifte is gedaan is derhalve niet noodzakelijk dat wordt bewezen dat de belastingplichtige wist dat het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte strafbaar of wederrechtelijk was.
Het opzet hoeft ook niet te zijn gericht op het schenden van een in de delictsomschrijving als bestanddeel opgenomen wettelijke verplichting. Delictsomschrijvingen met dergelijke bestanddelen komen veel voor in de ordeningswetgeving, met name in de Wet op de economische delicten (WED), maar ook in art. 69 lid 1 AWR, bijvoorbeeld bij de strafbaarstelling van het opzettelijk nalaten een administratie te voeren overeenkomstig de daaraan door de belastingwet gestelde eisen.
De strafkamer van de Hoge Raad heeft over delictsomschrijvingen met deze bestanddelen in 1952 bepaald dat de opzettelijke gedraging en de feitelijke vaststelling dat met die gedraging de in de delictsomschrijving opgenomen wettelijke verplichting is geschonden, voldoende zijn voor de vervulling van de delictsomschrijving.2 Om bij de zojuist genoemde strafbaarstelling uit art. 69 lid 1 AWR te blijven: het is voldoende dat de belastingplichtige opzettelijk een administratie voerde en dat die administratie niet voldeed aan de in art. 52 AWR gestelde eisen. Voor de vaststelling van het opzet hoeft niet komen vast te staan dat de belastingplichtige zich er bewust van is geweest dat hij met zijn wijze van administreren de verplichting van art. 52 AWR heeft geschonden.
In de literatuur wordt ervan uitgegaan dat het opzet in het fiscale strafrecht ook kleurloos is.3 De strafkamer van de Hoge Raad heeft dit in een arrest in 2007 bevestigd in een zaak waarin de zojuist bij wijze van voorbeeld besproken schending van de administratieplicht ten laste was gelegd.4 In een conclusie voorafgaand aan dit arrest heeft A-G Vellinga betoogd dat het kleurloze opzet bij delictsomschrijvingen waarbij de schending van een wettelijke verplichting als een bestanddeel is opgenomen, geen onderscheidend vermogen heeft. In de ordeningswetgeving zijn namelijk vaak gedragingen strafbaar gesteld die per definitie opzettelijk plaatsvinden, maar waarvan het door de ingewikkelde wet- en regelgeving niet op voorhand duidelijk hoeft te zijn dat zij wederrechtelijk zijn.5 De strafkamer van de Hoge Raad heeft dit betoog echter naast zich neergelegd en onder verwijzing naar de jurisprudentie uit 1952 geoordeeld dat het opzet niet op schending van de wettelijke administratieplicht hoeft te zien.