Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.6.2.1.1.0.c
Morele integriteit
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS459221:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld EHRM 16 oktober 2008, appl. no. 39058/05, r.o. 48 (Kyriakides vs. Cyprus) en EHRM 24 juli 2012, appl. no. 41526/10, r.o. 97 (Dordevic vs. Kroatië). Vgl. D.J. Harris, M. O’Boyle, E.P. Bates & C.M. Buckley, Harris, O’Boyle & Warbrick: Law of the European Convention on Human Rights, Oxford: Oxford University Press 2009, p. 366-367.
Zie bijvoorbeeld EHRM (GK) 7 februari 2012, appl. nos. 40660/08 & 60641/08, r.o. 95 (Von Hannover vs. Duitsland (nr. 2)) en EHRM (GK) 12 september 2012, appl. no. 10593/08, r.o. 151 (Nada vs. Zwitserland) en EHRM 6 februari 2014, appl. no. 2689/12, r.o. 85 (Semikhvostov vs. Rusland).
D. Cox, M. La Caze & M. Levine, ‘Integrity’, in: E.N. Zalta (ed.), The Stanford Encyclopedia of Philosophy (Fall 2013 Edition), http://plato.stanford.edu/archives/fall 2013/entries/integrity/.
EHRM 16 oktober 2008, appl. no. 39058/05 (Kyriakides vs. Cyprus) en EHRM 16 oktober 2008, appl. nos. 39627/05 & 39631/05 (Taliadorou & Stylianou vs. Cyprus).
EHRM 26 juli 2012, appl. no. 38773/05, r.o. 144 (Savitskyy vs. Oekraïne).
EHRM (GK) 12 september 2009, appl. no. 10593/08 (Nada vs. Zwitserland).
EHRM (GK) 12 september 2009, appl. no. 10593/08, r.o. 157 en de concurring opinion, punt 28 van Malinverni (Nada vs. Zwitserland).
EHRM (GK) 3 april 2012, appl. no. 41723/06, r.o. 67 (Gillberg vs. Zweden).
EHRM 14 oktober 2010, appl. no. 55164/08, r.o. 60 (A. vs. Kroatië) en EHRM 16 juli 2013, appl. no. 61382/09, r.o. 71 (B. vs. Moldavië).
Het derde aspect van de persoonlijke identiteit en ontwikkeling als uitwerking van het begrip privéleven is de morele integriteit.1 Ondanks dat het EHRM de fysieke en morele integriteit regelmatig naast elkaar zet,2 onderscheid ik de morele integriteit van de fysieke en geestelijke integriteit. Bij de fysieke en geestelijke integriteit staat vooral bescherming en bevordering van de gezondheid en kwaliteit van leven centraal staan. Bij de morele integriteit wordt de ‘goedheid’, ‘deugdzaamheid’ en de ‘eer’ van het privéleven belicht, het is ‘a person's dedication to the pursuit of a moral life’.3 Hiermee wordt sterker dan bij de vorige twee aspecten de nadruk gelegd op privacy-als-persoonlijkheid.
In de vier zaken die hierna aan bod komen, speelt de eer van de klager een centrale rol. In de zaken Kyriakides en Taliadorou & Stylianou wordt geklaagd over een schending van de morele integriteit doordat zij louter op basis van een verdenking zijn afgeschilderd als martelaars en vervolgens zijn ontslagen als politieagenten.4 Hierdoor hebben zij hun leven, in dit geval specifiek hun professionele leven, niet meer kunnen invullen zoals zij dat willen. Daarnaast heeft de uitgebreide publieke aandacht voor de zaak de reputatie van de agenten ernstig geschaad, terwijl zij uiteindelijk alle drie niet zijn veroordeeld voor het martelen van verdachten. In een soortgelijke zaak – het in een negatief daglicht stellen van de klager – werd geklaagd over de suggestie dat de klager Savitskyy sterk dronken was tijdens een incident met de politie en dat hij de blijvende invaliditeit die hij bij de aanvaring opliep aan zichzelf, namelijk zijn dronkenschap, had te wijten.5 Door op de eigen schuld van de verdachte te wijzen, probeerden de politieagenten de beschuldiging over de ill-treatment te bagatelliseren. Een laatste voorbeeld in dezelfde lijn. Nada werd door de Zwitserse autoriteiten verdacht van het financieren van terrorisme.6 Om de strijd van de Taliban en Al-Qaida te dwarsbomen, werden zijn financiële tegoeden bevroren, waaronder de reserves van de Bank Al Taqwa waarvan Nada de voorzitter en enig aandeelhouder was. Het feit dat zijn naam in verband werd gebracht met het financieren van terrorisme en omdat hij geen mogelijkheid kreeg om deze beschuldiging te bestrijden, werd gezien als inbreuk op zijn eer.7
Kortom, het onderdeel privéleven van artikel 8 lid 1 EVRM beschermt de eer en reputatie en daarmee de morele integriteit van burgers. Maar niet elke schade aan eer en reputatie valt binnen het kader van het recht op respect voor privacy.
‘The Court reiterates in this regard that Article 8 cannot be relied on in order to complain of a loss of reputation which is the foreseeable consequence of one’s own actions such as, for example, the commission of a criminal offence’.8
Net zoals bij het vorige onderwerp, worden bij de morele integriteit gelijksoortige positieve verplichtingen aan de bescherming van het recht op respect voor privacy verbonden. Op de staat berust ook een plicht om de morele integriteit van burgers te beschermen tegen geweld van anderen.9