Einde inhoudsopgave
Het schuldige geheugen? (SteR nr. 32) 2017/III.6.2.1.1.0
III.6.2.1.1.0 Introductie
mr. D.A.G. van Toor, datum 22-02-2017
- Datum
22-02-2017
- Auteur
mr. D.A.G. van Toor
- JCDI
JCDI:ADS459236:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
ECRM 18 mei 1976, appl. no. 6825/74 (X. vs. IJsland).
EHRM 16 december 1992, appl. no. 13710/88, r.o. 29 (Niemietz vs. Duitsland).
Zie onder andere EHRM 25 september 2001, appl. no. 44787/98, r.o. 56 (P.G. & J.H. vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 28 januari 2003, appl. no. 44647/98, r.o. 57 (Peck vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 17 juli 2003, appl. no. 63737/00, r.o. 36 (Perry vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 2 september 2009, appl. no. 35623/05, r.o. 43 (Uzun vs. Duitsland) en EHRM 20 mei 2010, appl. no. 32362/02, r.o. 46 (Visloguzov vs. Oekraïne) en EHRM 2 april 2013, appl. no. 21880/03, r.o. 108 (Olszewski vs. Polen).
Zie onder andere EHRM (GK) 22 januari 2008, appl. no. 43546/02, r.o. 43 (E.B. vs. Frankrijk) en EHRM (GK) 7 februari 2012, appl. nos. 40660/08 & 60641/08, r.o. 95 (Von Hannover vs. Duitsland (nr. 2)) en EHRM (GK) 15 maart 2012, appl. nos. 4149/04 & 41029/04, r.o. 58 (Aksu vs. Turkije) en EHRM (GK) 26 juni 2012, appl. no. 26828/06, r.o. 336, 339 (Kuric en anderen vs. Slovenië) en EHRM (GK) 12 september 2012, appl. no. 10593/08, r.o. 151 (Nada vs. Zwitserland) en EHRM 13 november 2012, appl. nos. 47039/11 & 358/12, r.o. 116 (Hristozov en anderen vs. Bulgarije).
Vgl. D.J. Harris, M. O’Boyle, E.P. Bates & C.M. Buckley, Harris, O’Boyle & Warbrick: Law of the European Convention on Human Rights, Oxford: Oxford University Press 2009, p. 364.
Zie onder andere EHRM 29 april 2004, appl. no. 2346/02, r.o. 61, 65 (Pretty vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 26 mei 2011, appl. no. 27617/04, r.o. 197 (R.R. vs. Polen) en EHRM 13 november 2012, appl. nos. 47039/11 & 358/12, r.o. 116 (Hristozov en anderen vs. Bulgarije) en EHRM 6 mei 2014, appl. no. 62804/13, r.o. 32 (Durisotto vs. Italië) en EHRM (GK) 5 juni 2015, appl. no. 46043/14, r.o 142 (Lambert en anderen vs. Frankrijk). Vgl. B. van der Sloot, ‘Privacy in het postNSA-tijdperk’, NJB 2014, 17, p. 1173, 1176.
Zie onder andere EHRM (GK) 11 juli 2002, appl. no. 28957/95, r.o. 90 (Christine Goodwin vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM (GK) 15 maart 2012, appl. nos. 4149/04 & 41029/04, r.o. 58 (Aksu vs. Turkije).
Zie onder andere EHRM 6 februari 2001, appl. no. 44599/98, r.o. 47 (Bensaid vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 12 juni 2003, appl. no. 35968/97, r.o. 69 (Van Kuck vs. Duitsland) en EHRM 12 januari 2010, appl. no. 4158/05, r.o. 61 (Gillan & Quinton vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 17 juli 2012, appl. no. 2913/06, r.o. 78 (Munjaz vs. het Verenigd Koninkrijk). Vgl. K. de Vries, ‘Het recht op privéleven en aanverwante rechten’, in: J. Gerards e.a. (red.), Grondrechten. De nationale, Europese en internationale dimensie, Nijmegen: Ars Aequi Libri 2013, p. 130.
Zie bijvoorbeeld EHRM (GK) 13 december 2012, appl. no. 39630/09, r.o. 248 (El-Masri vs. de voormalige Joegoslavische republiek Macedonië (FYROM)).
L.P. Grayson, ‘Education, Technology, and Individual Privacy’, Educational Communication and Technology 1978, 3, p. 196. Zie bijvoorbeeld ook EHRM (GK) 19 oktober 2012, appl. nos. 43370/04, 18454/06, 8252/05, r.o. 143 (Catan en anderen vs. Republiek Moldavië en Rusland).
EHRM (GK) 9 oktober 2003, appl. no. 48321/99, r.o. 96 (Slivenko vs. Letland) en EHRM (GK) 26 juni 2012, appl. no. 26828/06, r.o. 336 (Kuric en anderen vs. Slovenië). Zie ook D. Thym, ‘Respect for Private and Family Life under Article 8 ECHR in Immigration Cases: A Human Right to Regularize Illegal Stay?’, The International and Comparative Law Quarterly 2008, 1, p. 93.
Zie bijvoorbeeld EHRM 20 maart 2007, appl. no. 5410/03, r.o. 107 (Tysiąc vs. Polen) en EHRM (GK) 12 september 2012, appl. no. 10593/08, r.o. 151 (Nada vs. Zwitserland) en EHRM (GK) 13 december 2012, appl. no. 39630/09, r.o. 248 (El-Masri vs. de voormalige Joegoslavische republiek Macedonië (FYROM)).
Zie bijvoorbeeld EHRM 20 maart 2007, appl. no. 5410/03, r.o. 107 (Tysiąc vs. Polen) en EHRM 16 oktober 2008, appl. no. 39058/05, r.o. 41 (Kyriakides vs. Cyprus) en EHRM 11 maart 2014, appl. no. 47318/07, r.o. 29 (Jelsevar en anderen vs. Slovenië).
EHRM 16 oktober 2008, appl. no. 39058/05, r.o. 48 (Kyriakides vs. Cyprus) en EHRM 24 juli 2012, appl. no. 41526/10, r.o. 97 (Dordevic vs. Kroatië).
Zie bijvoorbeeld EHRM 3 juli 2012, appl. no. 52178/10, r.o. 81 (Samsonnikov vs. Estland) en EHRM 9 januari 2013, appl. no. 21722/11, r.o. 165 (Oleksandr Volkov vs. Oekraïne).
Zie bijvoorbeeld EHRM (GK) 15 maart 2012, appl. nos. 4149/04 & 41029/04, r.o. 58 (Aksu vs. Turkije) en EHRM (GK) 19 oktober 2012, appl. nos. 43370/04, 18454/06, 8252/05, r.o. 143 (Catan en anderen vs. Republiek Moldavië en Rusland).
Zie bijvoorbeeld EHRM (GK) 19 oktober 2012, appl. nos. 43370/04, 18454/06, 8252/05, r.o. 143 (Catan en anderen vs. Republiek Moldavië en Rusland).
Zie bijvoorbeeld EHRM 13 november 2012, appl. no. 24029/07, r.o. 187 (M.M. vs. het Verenigd Koninkrijk) en EHRM 18 april 2013, appl. no. 7075/10, r.o. 193 (Ageyevy vs. Rusland) en EHRM 18 april 2013, appl. no. 19522/09, r.o. 32 (M.K. vs. Frankrijk).
D.J. Harris, M. O’Boyle, E.P. Bates & C.M. Buckley, Harris, O’Boyle & Warbrick: Law of the European Convention on Human Rights, Oxford: Oxford University Press 2009, p. 365.
Om het begrip ‘privéleven’ te verduidelijken, begin ik met citaten van de Commissie en het Hof over het begrip. Daarin wordt duidelijk dat de Commissie en het Hof aan ‘privé’ twee betekenissen toekennen, die aansluiten bij de theoretische beschouwingen uit de vorige paragraaf. Privé betekent namelijk zowel ‘besloten, afgeschermd, exclusief’ en ‘bij een persoon horend, persoonlijk’.
‘For numerous anglo-saxon and French authors the right to respect for “private life” is the right to privacy, the right to live, as far as one wishes, protected from publicity […]. In the opinion of the Commission, however, the right to respect for private life does not end there. It comprises also, to a certain degree, the right to establish and to develop relationships with other human beings, especially in the emotional field for the development and fulfilment of one's own personality.’1
‘The Court does not consider it possible or necessary to attempt an exhaustive definition of the notion of ‘private life’. However, it would be too restrictive to limit the notion to an ‘inner circle’ in which the individual may live his own personal life as he chooses and to exclude there from entirely the outside world not encompassed within that circle.’2
De bescherming van het privéleven wordt dus onderscheiden in een besloten, exclusief, afgeschermd leven (zone of interaction of private space)3 en in een bij een persoon horend, eigen, persoonlijk leven (development and fulfilment of one’s own personality en may his life as he chooses).4 Enerzijds bevat het privéleven dus een beschermde zone waarin het privéleven van anderen en de staat kan worden afgezonderd. Anderzijds omvat het privéleven het nemen van beslissingen over het eigen leven op basis van persoonlijke voorkeuren en overtuigingen.5 In het vervolg van deze subparagraaf wordt het begrip privéleven nader uitgewerkt. Volgens het EHRM kan het begrip niet sluitend worden gedefinieerd. De nadruk ligt derhalve op het geven van voorbeelden en het aanwijzen van aspecten die onderdeel uitmaken van het privéleven. In dit onderzoek gebeurt dat voornamelijk met de nadruk op voorbeelden die van belang zijn voor het strafprocesrecht en de toepassing van opsporingsmethoden.
Mijns inziens zijn de begrippen ‘persoonlijke autonomie’ en ‘kwaliteit van leven’ bepalende begrippen voor de inhoud van het onderdeel privéleven van het recht op respect voor privacy.6 Het recht op respect voor privacy behelst de eerbiediging van de persoonlijke autonomie over het eigen leven. Met andere woorden, burgers moeten autonoom in de zin van onafhankelijk en op basis van eigen voorkeuren kunnen beslissen over de kwaliteit van hun leven. De persoonlijke autonomie of zelfdeterminatie wordt vervolgens verder onderverdeeld in de aspecten ‘persoonlijke identiteit’7 en ‘persoonlijke ontwikkeling’.8 Om autonoom te kunnen beslissen zijn identiteit, in de zin van persoonlijkheid en persoonlijke voorkeuren, en ontwikkeling essentiële voorwaarden. Zonder ontwikkeling in de breedste zin van het woord, waaronder ook het aangaan en in stand houden van relaties9 en het volgen van onderwijs,10 kan de persoonlijkheid, de persoonlijke identiteit niet ten volle worden ontplooid. Op basis van zijn identiteit, zijn persoonlijkheid en de daarop gebaseerde voorkeuren en overtuigingen maakt een mens zijn keuzes in het leven. Op basis van persoonskenmerken wordt besloten een bepaalde opleiding te volgen, bepaald werk te ambiëren en uit te oefenen, met specifieke personen relaties te onderhouden. Ontwikkeling heeft eenzelfde soort effect op identiteit. Door vaardigheden te ontwikkelen wordt de identiteit (verder) ontplooid. De wisselwerking tussen ontwikkeling en identiteit is dus noodzakelijk voor het individu om eigen, autonome levenskeuzes te maken.
De begrippen ‘persoonlijke identiteit’ en ‘persoonlijke ontwikkeling’ zijn echter ook breed en onduidelijk. Om die reden ga ik hieronder nader in op deze twee concepten zoals die terugkomen in de rechtspraak van het EHRM over het recht op respect voor privacy. Omdat een wisselwerking tussen ontwikkeling en identiteit bestaat – ontwikkeling bepaalt mede de identiteit én identiteit bepaalt mede welke aspecten van het leven worden ontwikkeld – worden de concepten gezamenlijk besproken. In algemene zin wordt het privéleven omschreven als een netwerk van persoonlijke, sociale en economische relaties van een mens.11 Specifiek komen de volgende onderwerpen aan bod die in beginsel moeten worden gerespecteerd opdat een burger zijn identiteit kan ontwikkelen en uiten: (1) fysieke identiteit en integriteit;12 (2) geestelijke integriteit;13 (3) morele integriteit;14 (4) sociaaleconomische identiteit;15 (5) etnisch-culturele identiteit;16 (6) onderwijs17 en; (7) informationele privacy.18 Deze onderwerpen tezamen vormen volgens mij de ‘persoonlijke identiteit en ontwikkeling’ waardoor iemand autonoom beslissingen over de kwaliteit van zijn privéleven kan nemen. Deze categorisering is arbitrair (moet ‘het stemgeluid’ onder de fysieke identiteit of onder de informationele privacy worden geplaatst?).
‘[But] [t]he best that can be done is to identify the categories of interests and activities that the Court has held to be within the ambit of “private life”. These categories are not closed and, doubtless, the cases could equally profitably be arranged under different heads.’ (toevoeging DvT)’19