Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/2.5.4.1
2.5.4.1 Interpretatie en toepassing van wets- en uniebepalingen
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS571150:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Geppaart 1965, p. 44, Niessen 2009, p. 14, De Blieck e.a. 2015, p. 410.
Geppaart 1965, p. 53-54, Niessen 2009, p. 15, A.O. Lubbers, L.M.J. Sangster, ‘Het gebruik en de bruikbaarheid van parlementaire geschiedenis bij wetsuitleg’, WFR 2012/6977, p. 1521-1529.
Niessen 2009, p. 15-17.
R.P.C.W.M. Brandsma, M. Chin-Oldenziel, S.R. Pancham en D.M. Weber, Cursus belastingrecht, Europees Belastingrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 32-34.
Geppaart 1965, p. 124, Niessen 2009, p. 17.
Hof Arnhem 11 augustus 2005, ECLI:NL:GHARN:2005:AU1298, r.o. 4.16; Rb. Haarlem 24 april 2007, ECLI:NL:RBHAA:2007:BA6565, r.o. 4.7; Hof Amsterdam 22 oktober 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK1476, r.o. 4.8. Voorts maak ik uit HR 11 november 2005, BNB 2006/147, ECLI:NL:HR:2005:AU6018, r.o. 3.4 io. 3.5; Rb. Breda 19 juli 2006, ECLI:NL:RBBRE:2006:AY5715, r.o. 4.1 io. 4.5. op dat het oordeel dat het standpunt pleitbaar is (mede) moet hebben gesteund op de argumenten uit de wetgeschiedenis.
Hof Amsterdam 1 maart 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:AT5340, r.o. 28-30.
Zie bijvoorbeeld HR 13 november 2009, BNB 2010/24, ECLI:NL:HR:2009:BG5866, r.o. 3.3. en 3.4. De belastingkamer van de Hoge Raad ging hier bijvoorbeeld niet toe over in HR 24 januari 1996, BNB 1996/138, r.o. 3.8-3.12. In beide zaken was echter geen boete opgelegd.
A-G Wattel heeft in een conclusie van 11 mei 2009, gepubliceerd in BNB 2010/236, in r.o. 5.17 opgemerkt dat “discrepanties tussen de tekst en de bedoeling van de wet Vpb. de laatste jaren veel lijken voor te komen”.
Hof Amsterdam 20 augustus 2003, ECLI:NL:GHAMS:2003:AJ6870, r.o. 5.19.
Bij interpretatie en toepassing van wets-, unie- en verdragsbepalingen vormt de tekst van de desbetreffende bepaling het uitgangspunt.1 Dit uitgangspunt kan echter niet worden toegepast als die tekst geen of geen eenduidige uitkomst biedt. In dat geval staan de belastingrechter verschillende rechtsvindingsmethoden ter beschikking om de bepaling te interpreteren en toe te passen.
In het nationale belastingrecht wordt voornamelijk gebruikgemaakt van de wetshistorische methode. Hierbij worden voor de interpretatie en toepassing van een wetsbepaling argumenten ontleend aan de parlementaire geschiedenis.2 Daarnaast worden onder andere de wetssystematische methode gebruikt, waarbij argumenten worden ontleend aan het systeem van de wet, de rechtshistorische methode waarbij argumenten worden ontleend aan de voorganger van de huidige wet en de teleologische methode waarbij argumenten worden ontleend aan het doel en de strekking van de wet.3 Bij de interpretatie en toepassing van het unierecht vormt ook de tekst van de unierechtbepalingen het uitgangspunt. In het unierecht, dat geen parlementaire geschiedenis kent, wordt voornamelijk gebruikgemaakt van de wetssystematische methode, de teleologische methode en de dynamische methode, waarbij wordt gekeken naar de ontwikkelingsstand van de unierechtbepaling op het moment dat deze wordt toegepast.4
De zojuist besproken rechtsvindingsmethoden kennen geen vaste rangorde.5 Als de tekst van de betreffende bepaling geen of geen eenduidige uitkomst biedt, zoals in de hiervoor in paragraaf 2.5.3 genoemde situaties waarin bepalingen uit het nationale recht of het unierecht een leemte achterlaten of een begrip bevatten dat niet nader is omlijnd of dat verschillend kan worden uitgelegd, kunnen er derhalve verschillende uitkomsten van het belastinggeschil mogelijk zijn. Daardoor ontstaat ruimte voor een pleitbaar standpunt.
In een aantal uitspraken van de rechter in feitelijke instantie is in deze situaties het oordeel dat het standpunt pleitbaar is inderdaad onderbouwd door verwijzing naar een of meer van de rechtsvindingsmethodes. Het meest is verwezen naar argumenten uit de wetsgeschiedenis, de wetshistorische methode,6 maar daarnaast heb ik bijvoorbeeld ook een uitspraak gevonden waarin de beslissing dat het standpunt pleitbaar is, is gebaseerd op argumenten die volgen uit de rechtshistorische methode.7
Voorts kan het uitgangspunt dat een bepaling aan de hand van de tekst moet worden geïnterpreteerd en toegepast worden verlaten in situaties waarin interpretatie en toepassing op grond van de letterlijke tekst van de bepaling tot fiscale gevolgen leidt die in strijd zijn met doel en strekking van die bepaling. In deze situaties heeft de rechter de keuze tussen een uitleg conform de letterlijke tekst van de bepaling of conform doel en strekking van de bepaling en zijn verschillende uitkomsten van het belastinggeschil denkbaar.
Een pleitbaar standpunt kan zich naar mijn mening daarom ook voordoen als de inspecteur met een beroep op doel en strekking van een bepaling succesvol heeft gesteld dat die bepaling niet conform de letterlijke tekst moet worden uitgelegd, terwijl de belastingplichtige zich, zij het tevergeefs, wel op de letterlijke tekst van die bepaling had gebaseerd.8,9 Ik heb in dit verband geen uitspraken in de jurisprudentie aangetroffen, naar ik veronderstel omdat de inspecteur in deze situaties terughoudend is met het opleggen van een boete. Er is wel een beslissing van de rechter in feitelijke instantie over de omgekeerde situatie, een situatie waarin niet de inspecteur maar de belastingplichtige onder meer op grond van doel en strekking van een bepaling tevergeefs heeft gesteld dat aan de letterlijke tekst van de bepaling voorbij zou moeten worden gegaan. In deze situatie had de belastingplichtige volgens de rechter geen juist maar wel een pleitbaar standpunt ingenomen.10