Einde inhoudsopgave
De intrekking van beschikkingen (SteR nr. 29) 2016/II.7.1.2.2
II.7.1.2.2 Intrekkingsgronden
B. de Kam, datum 01-03-2016
- Datum
01-03-2016
- Auteur
B. de Kam
- JCDI
JCDI:ADS377653:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Europees bestuursrecht
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Bestuursrecht algemeen / Bestuursbevoegdheden
Voetnoten
Voetnoten
Aldus onder meer Verheij 1997, p. 69, Schlössels en Zijlstra 2010, p. 382 (ten aanzien van duurbeschikkingen), Den Ouden 2010, p. 700 en Ortlep 2011, p. 329-330.
Zie bijvoorbeeld Vz. ARRvS 5 januari 1989, AB 1989/357 m.nt. Simon, ABRvS 9 december 1997, JB 1998, 9 m.nt. Simon, CRvB 18 september 2002, RSV 2002/294, CRvB 21 maart 2001, USZ 2001/141 en RSV 2001/174, CRvB 24 september 2008, ECLI:NL:CRVB: 2008:BF2376, CBb 27 januari 2005, ECLI:NL:CBB:2005:AS5105, CRvB 24 februari 2006, RSV 2006/108 en CRvB 22 september 2010, JB 2010/262.
CBb 22 augustus 2000, AB 2000/460 m.nt. Van der Veen.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 19 januari 2011, AB 2011/62. Op grond van art. 4:50 lid 1 aanhef en onder a Awb kan een de subsidieverleningsbeschikking worden ingetrokken wegens onjuistheid van die beschikking, zij het dat intrekking op grond van deze bepaling slechts ex nunc kan geschieden. Deze bepaling ziet echter slechts op niet kennelijk onjuiste beschikkingen. Zie hierover meer uitgebreid in hoofdstuk 11.
Een andere wettelijke bepaling welke overeenkomt met de geformuleerde rechtsregel is art. 21 Awir. Zie voor een toepassing van deze bepaling ABRvS 19 maart 2014, AB 2014/152 m.nt. Koenraad.
Model Rules Book III, p. 141.
Paragraaf 48 lid 4 VwVfG.
Vgl. ook paragraaf 48 lid 2 VwVfG.
De Graaf en Marseille duiden dit treffend aan als rechtszekerheid versus rechtmatigheid.
Schlössels en Zijlstra 2010, p. 25, Van Wijk/Konijnenbelt en Van Male 2014, p. 37.
Intrekking met terugwerkende kracht is niet toegestaan ingeval sprake is van een niet kennelijk onjuiste beschikking. Aldus bijvoorbeeld CRvB 24 februari 2006, RSV 2006, 108, waarin de Raad overweegt: ‘Appellant behoefde met een zodanige fout geen rekening te houden, te meer nu het ging om een relatief klein bedrag, waarvan niet kan worden gezegd dat aan appellant bij normaal van hem te vergen oplettendheid duidelijk heeft kunnen zijn dat hij op dat bedrag geen recht had. […] Uit het bovenstaande volgt dat de aan de wijziging van het dagloon verleende terugwerkende kracht en de Intrekking met terugwerkende kracht is niet toegestaan ingeval sprake is van een niet kennelijk onjuiste beschikking. Aldus bijvoorbeeld CRvB 24 februari 2006, RSV 2006, 108, waarin de Raad overweegt: ‘Appellant behoefde met een zodanige fout geen rekening te houden, te meer nu het ging om een relatief klein bedrag, waarvan niet kan worden gezegd dat aan appellant bij normaal van hem te vergen oplettendheid duidelijk heeft kunnen zijn dat hij op dat bedrag geen recht had. […] Uit het bovenstaande volgt dat de aan de wijziging van het dagloon verleende terugwerkende kracht en de daarop gebaseerde terugvordering rechtens niet aanvaardbaar zijn.’ Zie voorts CRvB 4 juli 1990, AB 1991/42, ARRvS 31 juli 1991, AB 1992/76 en CRvB 20 mei 2009, USZ 2009/193. Vgl. tevens Ortlep 2011, p. 332.
Aldus bijvoorbeeld CRvB 13 december 2012, JB 2013/35 en TAR 2013/82, CRvB 30 maart 1979, AB 1980/200 m.nt. Nuver, KB 29 november 1979, AB 1980/177 m.nt. Van der Net, ARRvS 16 oktober 1984, AB 1985/446 m.nt. Van der Veen, CBb 27 juni 2008, AB 2008/282 m.nt. Ortlep en CBb 9 mei 2006, JB 2006/203. Onder omstandigheden zal de mogelijkheid geboden moeten worden om de gevolgen van de intrekking op te vangen, bijvoorbeeld door (enige vorm van) financiële genoegdoening. Aldus onder meer CRvB 10 mei 1989, AB 1989/377 m.nt. Sinnighe Damsté. Zie meer uitgebreid over het aanbieden van financiële genoegdoening paragraaf 7.2.
Den Ouden 2010, p. 700, Ortlep 2011, p. 329 e.v. en Rapport ABAR 1984, p 223.
Art. 4:48 lid 1 aanhef en onder d Awb (t.a.v. de beschikking tot subsidieverlening) en art. 4:49 lid 1 aanhef en onder b Awb (t.a.v. de beschikking tot subsidievaststelling). Zie hierover meer uitgebreid hoofdstuk 11.
Verheij 1997, p. 70.
Of, zoals Ortlep het verwoordt, het vertrouwensbeginsel is geneutraliseerd. Zie Ortlep 2011, p. 334.
Aldus onder meer Ortlep 2011, p. 209-210 en 333-334, Verheij 1997, p. 69-71, Schlössels en Zijlstra 2010, p. 382 (ten aanzien van duurbeschikkingen), Dieperink 2003, p. 79 Rapport ABAR 1984, p. 220. Aldus ook onder meer CRvB 11 augustus 2006, ECLI:NL: CRVB:2006:AY6373, ABRvS 19 december 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BC0550, CBb 23 april 1998, AB 1998/290, CBb 18 juli 2008, AB 2008/295 m.nt. Cartigny, CRvB 23 mei 2000, JB 2000/169 m.nt. Albers en USZ 2000/183 en CBb 22 december 1987, AB 1988/256 m.nt. Van Kreveld.
CBb 6 april 1994, AB 1994/529 m.nt. Van der Veen.
Model Rules Book III, p. 141.
Vgl. paragraaf 48 lid 2 VwVfG.
Vz. CBb 20 juli 1989, AB 1990/88 m.nt. Eijlander. Zie ook Vz. Rechtbank Den Haag 17 november 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BK9194, waarin wordt verwezen naar de Vreemdelingencirculaire 2000. In deze circulaire is bepaald dat wanneer onjuiste gegevens zijn verstrekt of relevante gegevens zijn achtergehouden, de verblijfsvergunning gedurende 12 jaar kan worden ingetrokken. Een beroep op tijdsverloop slaagt dan ook niet.
CRvB 24 augustus 2005, JB 2005/308.
Ortlep 2011, p. 155.
AGRvS 3 juni 1988, AB 1989/52 m.nt. Van Buuren.
Ook in die zin: Ortlep 2011, p.155.
Dieperink 2003, p. 79, Verheij 1997, p. 75. Zie t.a.v. subsidies Kamerstukken II 1993/94, 23700, nr. 3, p. 77. Vgl. ook art. III-36 lid 3 jo lid 5 Model Rules en paragraaf 49 lid 3 VwVfG.
Dieperink 2003, p. 79.
ABRvS 17 mei 2007, JB 2007/133.
Zie paragraaf 7.1.2.
CRvB 20 mei 2014, AB 2014/312 m.nt. Bruggeman, CRvB 29 mei 2007, ECLI:NL:CRVB: 2007:BA6913, CBb 8 november 2005, AB 2006/23 m.nt. Van der Veen, ARRvS 15 juli 1978, AB 1979/305 m.nt. Van der Veen, No 6 mei 1992, AB 1992/402 m.nt. Stolk en CRvB 5 maart 2009, JB 2009/134. Zie voorts Van Wijk/Konijnenbelt en Van Male 2014, p. 383, Ortlep 2011, p. 203-204, Den Ouden 2010, p. 710 en Hoitink 1998, p. 82. Ook in het geval van subsidies geldt dit uitgangspunt. Zie de artikelen 4:50 en 4:51 Awb.
Ortlep maakt mijns inziens terecht een uitzondering voor nieuwe jurisprudentie. Zie Ortlep 2011, p. 204 e.v.
Zie bijvoorbeeld meer uitgebreid paragraaf 49 lid 2 VwVfG.
Zie over eventuele terugwerkende kracht van een beleidswijziging Bröring 2012, p. 93-95.
ABRvS 20 november 2000, JB 2001/8 m.nt. Van der Linden en RAwb 2001/62 m.nt. De Waard. Zie voorts Hoitink 1998, p. 89, Ortlep 2011, p. 203 en Rapport ABAR 1984, p. 225.
Zie voorts CBb 15 oktober 2010, AB 2011/24 m.nt. Ortlep en JB 2011/38.
Bijvoorbeeld omdat hiervan niet direct mededeling wordt gedaan aan het bestuursorgaan. Dit komt nogal eens voor in het socialezekerheidsrecht, waar de verplichting bestaat mededeling te doen van gewijzigde omstandigheden aan het bestuursorgaan, omdat deze van invloed kunnen zijn op de hoogte van de uitkering.
ABRvS 26 maart 2007, JV 2007/255, ABRvS 16 juli 2008, JV 2009/3 en ABRvS 13 april 2010, JV 2010/217 m.nt. Groenendijk.
ABRvS 26 maart 2007, ECLI:NL:RVS:2008:BC7627.
Beschikkingen in strijd met het recht gegeven
In paragraaf 4.2.3 is bij de beschikkingen die in strijd met het recht zijn gegeven onderscheid gemaakt tussen de situatie waarin de geadresseerde op de hoogte was van de onjuistheid van de beschikking of hiervan op de hoogte behoorde te zijn (kennelijke onjuistheid), en de situatie waarin dit niet het geval is (niet kennelijke onjuistheid). Daarbij is opgemerkt dat een en ander van belang is voor de mogelijkheid een beschikking met terugwerkende kracht in te trekken. Ook in deze paragraaf zal daarom het onderscheid tussen kennelijk onjuiste en niet kennelijk onjuiste beschikkingen worden aangehouden.
De kennelijk onjuiste beschikking
Intrekking kan met terugwerkende kracht (tot het moment van verlening van de beschikking) geschieden wanneer de beschikking onjuist is en de geadresseerde dit wist dan wel behoorde te weten.1,2 De gedachte hierbij is dat wanneer de geadresseerde op de hoogte is van de onjuistheid van de beschikking, hij er rekening mee dient te houden dat de beschikking op enig moment wordt ingetrokken. Zo overwoog het CBb in 2000 ten aanzien van een onterecht toegekende schadeloosstelling:
‘Tevens kon haar redelijkerwijs in verband met de haar bekende omstandigheid dat haar bedrijf was geruimd vanwege besmetting, duidelijk zijn dat zij geen aanspraak kon maken op een schadeloosstelling ter zake van preventieve ruiming, maar op een — bij ruiming vanwege besmetting geldende — lagere schadeloosstelling […]. Uit het voorafgaande volgt dat appellante ernstig rekening diende te houden met een verlaging van het bedrag aan schadeloosstelling. Onder voormelde omstandigheden kan naar het oordeel van het college niet worden staande gehouden dat verweerder met zijn besluit tot eerder omschreven herziening van de schadeloosstelling heeft gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.’3
De hiervoor genoemde rechtsregel is voorts terug te vinden in de subsidietitel van de Awb. De artikelen 4:48 en 4:49 Awb schrijven voor dat ingeval van een kennelijk onjuiste subsidiebeschikking als hoofdregel geldt dat intrekking met terugwerkende kracht plaatsvindt.4,5
In de Model Rules is een soortgelijk uitgangspunt te vinden.
‘In case of an unlawful decision that is beneficial the authority may choose to withdraw that decision either with retrospective effect, only with prospective effect or not at all […] Important criteria for this balancing test are the extent to which the illegality that besets the decisions is obvious […].’6
Voor de vraag naar de temporele werking van de intrekking is dus van belang of de onjuistheid van de beschikking al dan niet kenbaar was voor de geadresseerde. Dat geldt ook voor het Duitse stelsel. § 48 lid 2 derde volzin aanhef en onder nr. 3 VwVfG luidt immers:
‘Auf Vertrauen kan sich der Begünstigte nicht berufen, wenn er […] die Rechtswidrigkeit des Verwaltungsaktes kannte oder infolge grober Fahrlässigkeit nicht kannte.’
Bij kennelijke onjuistheid slaagt een beroep op gerechtvaardigd vertrouwen aldus niet. Het gevolg daarvan is dat aan de intrekking terugwerkende kracht mag worden verbonden.7
De niet kennelijk onjuiste beschikking
Bij niet kennelijk onjuiste beschikkingen liggen de kaarten anders.8 De houder van de beschikking behoeft geen rekening te houden met een intrekkingsbeslissing (met terugwerkende kracht), nu hij niet op de hoogte is van de onjuistheid van de beschikking en hij hiervan ook niet op de hoogte behoorde te zijn. Betoogd zou kunnen worden dat enerzijds het vertrouwensbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel zich verzetten tegen intrekking. Wanneer de fout niet kenbaar is, mag de geadresseerde immers vertrouwen op de juistheid en daarmee op het in stand blijven van de beschikking. Anderzijds kan worden betoogd dat er een beschikking bestaat die in strijd is met het van toepassing zijnde recht, hetgeen noopt tot intrekking.9 De overheid dient immers conform het recht te handelen.10 Men zou kunnen zeggen dat in de jurisprudentie een compromis is gevonden tussen het terugnemen van de beschikking11 en het in stand laten daarvan. In geval van niet kennelijke onjuistheid van de beschikking is namelijk als uitgangspunt intrekking ex nunc mogelijk.12,13 Wanneer de geadresseerde op basis van de beschikking bijvoorbeeld reeds gelden heeft ontvangen, mag hij deze behouden. De rechtsgrondslag voor deze betalingen blijft onaangetast. Slechts de rechtsgrondslag voor toekomstige betalingen komt te vervallen. Een intrekking ex nunc is dan ook voor de geadresseerde minder belastend.
Het voorgaande sluit wederom aan bij de subsidietitel in de Awb. Op grond van art. 4:50 lid 1 aanhef en onder a Awb kunnen onjuiste subsidiebeschikkingen met inachtneming van een redelijke termijn worden ingetrokken. Nu voor kennelijk onjuiste subsidiebeschikkingen is voorzien in een bevoegdheid om deze ex tunc in te trekken,14 ziet voornoemde bepaling alleen op niet kennelijk onjuiste beschikkingen. De eis van kenbaarheid van de onjuistheid wordt in deze bepaling niet gesteld.
Onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt door de aanvrager van de beschikking
Wanneer de geadresseerde onjuiste of onvolledige gegevens aan het bestuursorgaan heeft verstrekt, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot intrekking van de beschikking, kan deze intrekking geschieden met terugwerkende kracht tot het moment waarop de beschikking is gegeven. Gesteld kan immers worden dat hem blaam treft nu hij behoort in te staan voor de juistheid en volledigheid van de door hem verstrekte gegevens.15 Dit heeft tot gevolg dat intrekking op deze grond met terugwerkende kracht is toegestaan. De geadresseerde mag immers niet vertrouwen op het in stand blijven van de beschikking.16 Dit standpunt vindt steun in de literatuur en de rechtspraak.17 Zo overwoog het CBb in een uitspraak uit 1994:
‘Het is een regel van ongeschreven bestuursrecht dat ook zonder een daartoe strekkende uitdrukkelijke wetsbepaling een begunstigende beschikking — zonodig met terugwerkende kracht — kan worden ingetrokken indien ter verkrijging van die beschikking door de belanghebbende onjuiste gegevens zijn verstrekt, de belanghebbende terzake daarvan een verwijt kan worden gemaakt, en de beschikking anders zou hebben geluid indien ten tijde van het geven van de beschikking aan het beschikkende orgaan de onjuistheid van de betrokken gegevens bekend zou zijn geweest.’18
Voorts valt te wijzen op de Model Rules, waar een soortgelijk uitgangspunt te vinden is.19 In het Duitse stelsel komt eveneens tot uitdrukking dat het feit dat de geadresseerde onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, ertoe leidt dat geen sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen. Het gevolg hiervan is, dat intrekking met terugwerkende kracht is toegestaan.20 De gedachte lijkt ook hier te zijn dat de afwezigheid van gerechtvaardigd vertrouwen aan de zijde van de geadresseerde van invloed is op de wijze waarop de intrekkingsbevoegdheid mag worden uitgeoefend, meer specifiek op de temporele werking van de intrekking.
Een en ander is tevens terug te vinden in de subsidietitel van de Awb. Op grond van art. 4:48 lid 1 aanhef en onder c jo lid 2 Awb geschiedt intrekking wegens het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens door de subsidieontvanger in beginsel van terugwerkende kracht.Zie bijvoorbeeld ABRvS 26 september 2000, JB 2000/321 m.nt. Van der Linden en CRvB 22 november 2005, JB 2006/38. De opvatting lijkt te zijn dat wanneer iemand een aanvraag indient, hij moet zorgen dat de daartoe te verstrekken informatie juist en volledig is, zodat een gedegen beslissing kan worden genomen. Wanneer dit niet het geval is, zal rekening gehouden moeten worden met een intrekking van de gegeven beschikking. Een beroep op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel slaagt in een dergelijk geval dan ook niet.Aldus onder meer CRvB 17 januari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV0080 en CBb 18 juli 2008, AB 2008/295 m.nt. Cartigny. Voor een meer uitgebreide bespreking van de literatuur in jurisprudentie op dit punt wordt verwezen naar paragraaf 2 van dit hoofdstuk. Het is wel mogelijk om bijvoorbeeld bij de terugvordering rekening te houden met eventuele bijzondere omstandigheden. In het socialezekerheidsrecht zijn hiervan voorbeelden te vinden. Zie bijvoorbeeld CRvB 20 februari 2007, RSV 2007/139 m.nt. Bruggeman en CRvB 27 maart 2007, RSV 2007/172 m.nt. Bruggeman.
Ook een beroep op tijdsverloop is niet erg kansrijk.21 Het bestuursorgaan kan zelfs tot terugvordering overgaan, ook al is daarvoor uitdrukkelijk bepaald dat niet zal worden teruggevorderd. Wanneer door de geadresseerde onjuiste of onvolledige informatie is verstrekt, komt een dergelijke terugvordering niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.22 Zo overwoog de CRvB in een uitspraak uit 2005:
‘Naar het oordeel van de Raad was appellant uit een oogpunt van rechtszekerheid echter niet gerechtigd om, nadat hij zijn definitieve besluit had genomen om de voorschotten niet terug te vorderen, alsnog te besluiten om daartoe wel over te gaan. Dit zou anders kunnen zijn indien het besluit van 10 december 2002 als een fout zou moeten worden gezien, zou hebben berust op onjuiste of onvolledig informatie van gedaagde, of indien nadere gegevens een ander licht op de zaak zouden hebben geworpen, maar daarvan is geen sprake. Ten tijde van het besluit van 10 december 2002 waren alle relevante gegevens bekend bij appellant en is weloverwogen beslist om de terugvordering niet te handhaven.’
Een en ander ligt genuanceerder, wanneer de onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt door een derde in plaats van door de geadresseerde.23 Te wijzen valt op een uitspraak van de Afdeling Geschillen van bestuur van de Raad van State uit 1988. De AGRvS overweegt:
‘Het is onweersproken gebleven dat verweerder in zijn beschikking van 23 juli 1985 gebruik heeft gemaakt van onjuiste gegevens. Nu zulks evenwel niet aan appellante is te wijten gaat het naar het oordeel van de Afd., gelet op de rechtszekerheid, niet aan, deze beschikking, die een rechtsgeldig genomen voor appellante gunstige beslissing inhield, na het verstrijken van de beroepstermijn zonder meer alsnog te vervangen door een voor haar ongunstige beschikking. De Afd. is dan ook van oordeel dat de beschikking van 27 nov. 1985 is genomen in strijd met het beginsel der rechtszekerheid.’24
Van Buuren merkt in zijn annotatie bij deze uitspraak mijns inziens terecht op dat wanneer de geadresseerde weliswaar de onjuiste informatie niet zelf heeft verstrekt, maar wel wist dat het bestuursorgaan zich baseerde op onjuiste door een derde verstrekte informatie, de hiervoor geformuleerde rechtsregel niet opgaat. Er is mag dan immers niet gerechtvaardigd worden vertrouwd op het in stand blijven van de beschikking.25
Overtreding
Zoals hiervoor aan de orde kwam, kan een door de geadresseerde begane overtreding aanleiding vormen om tot intrekking van de beschikking over te gaan. Uitgangspunt is daarbij dat deze intrekking kan plaatsvinden met ingang van het moment waarop de overtreding plaatsvond.26 Vanaf dat moment mag de geadresseerde immers niet meer vertrouwen op het in stand blijven van de beschikking. Hij dient, met andere woorden, rekening houden met een intrekkingsbeslissing.27 Een en ander neemt niet weg dat intrekking ook mag geschieden met ingang van het moment waarop de intrekkingsbeslissing is genomen.28 Op de intrekking bij wijze van sanctie wordt meer uitvoerig aandacht besteed in paragraaf 7.3.
Een nuancering moet worden gemaakt voor de situatie waarin een beschikking wordt ingetrokken omdat de geadresseerde bij zijn aanvraag onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, hetgeen ertoe heeft geleid dat een onjuiste beschikking is gegeven. Ook dan kan namelijk worden gesproken over een door de geadresseerde begane overtreding. Echter, wanneer een beschikking wegens onjuiste of onvolledige gegevens wordt ingetrokken, mag deze intrekking plaatsvinden met terugwerkende kracht tot het moment dat de beschikking is gegeven.29
Veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten
Zoals besproken in paragraaf 4.4 komt het regelmatig voor dat na verlening van een beschikking omstandigheden veranderen. Ook is opgemerkt dat zowel aan de zijde van het bestuursorgaan als aan de zijde van de geadresseerde sprake kan zijn van een verandering van omstandigheden. Naast verandering van (feitelijke) omstandigheden, kan het voorkomen dat het bestuursorgaan van inzicht wijzigt, hetgeen in sommige gevallen uitmondt in een beleidswijziging. Als uitgangspunt geldt dat intrekking vanwege veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten slechts ex nunc kan geschieden.30,31 Zo is bepaald dat een beleidswijziging niet mag leiden tot het ex tunc intrekken van een (begunstigende) beschikking.32,33 Te wijzen valt op een uitspraak van de Afdeling uit 2001.34 Het betrof de legalisatie van een geboorte- en een huwelijksakte. Bij deze legalisatie was geen verificatieonderzoek uitgevoerd naar de juistheid van deze documenten. Kort daarna wijzigde het beleid, waardoor de minister verplicht werd een dergelijk onderzoek uit te voeren, onder meer naar documenten die afkomstig waren uit Nigeria, waar ook verzoeker vandaan kwam. Hierop werd alsnog een verificatieonderzoek uitgevoerd, waarna legalisatie alsnog werd geweigerd. Volgens de Afdeling was deze gang van zaken niet juist:
‘Met het oog op de rechtszekerheid kan niet op de enkele basis van een beleidswijziging aan de eerder genomen, rechtens onaantastbare, besluiten, waarbij het verzoek om legalisatie was ingewilligd, hun werking worden ontnomen.’35
Gewijzigde omstandigheden kunnen er ook toe leiden dat de intrekking betrekking heeft op reeds ingetreden rechtsgevolgen. Dit is het geval wanneer een bestuursorgaan pas later op de hoogte raakt van het feit dat omstandigheden zijn gewijzigd.36 Veelal wordt dan aangenomen dat intrekking kan plaatsvinden vanaf het moment waarop de omstandigheden zijn gewijzigd. Het vreemdelingenrecht biedt hiervan diverse voorbeelden. Verblijfsvergunningen worden veelal onder beperkingen verleend. Zo bestaat bijvoorbeeld de mogelijkheid een verblijfsvergunning te verlenen onder de beperking ‘verblijf bij familie’. Wanneer de relatie vervolgens wordt beëindigd, ontstaat een grond tot intrekking. Deze intrekking heeft dan effect vanaf het moment waarop niet meer aan de beperking wordt voldaan.37
Onder omstandigheden sorteert de intrekking ex nunc niet direct effect op het moment waarop het intrekkingsbesluit wordt genomen, maar pas op een later gelegen tijdstip. Het betreft gevallen waarin de geadresseerde een overgangstermijn wordt gegeven. In de subsidietitel van de Awb is ten aanzien van intrekking en wijziging op grond van de artikelen 4:50 en 4:51 Awb uitdrukkelijk bepaald dat een ‘redelijke termijn’ in acht genomen moet worden. Op die manier kan de subsidieontvanger maatregelen treffen om de gevolgen van de subsidiebeëindiging te ondervangen.38 Zie nader over de overgangstermijn paragraaf 7.1.4.