Burgerschap op orde
Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/XIVa:XIVa Initiatiefwetsvoorstel-Schuring, Tilanus en Bos (CHU), houdende invoering van geprogrammeerde maatschappelijke en staatsburgerlijke vorming 1971
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/XIVa
XIVa Initiatiefwetsvoorstel-Schuring, Tilanus en Bos (CHU), houdende invoering van geprogrammeerde maatschappelijke en staatsburgerlijke vorming 1971
Documentgegevens:
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977867:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op 26 januari 1971 dienen de CHU-Kamerleden Schuring, Tilanus en Bos een voorstel van wet in over de invoering in het voortgezet onderwijs van een geprogrammeerde maatschappelijke en staatsburgerlijke vorming, te citeren als Initiatiefwet maatschappelijke en staatsburgerlijke vorming (Kamerstukken II, 1970/71, 11111, nr. 2). Het voorstel bestaat uit het invoeren van staatsinrichting, recht en maatschappijleer op het vwo; in de vierde klas staatsinrichting, de vijfde recht en de zesde maatschappijleer met voor elk vak twee uur per week en het invoeren van staatsinrichting en recht als keuzevakken in het examenjaar ieder met drie uur. Voor de havo is deze opzet vanaf de derde klas mogelijk.
Een afstemming van de leerprogramma's is noodzakelijk door ‘de verschillende aspecten in de maatschappelijke en staatsburgerlijke vorming te plaatsen; deze vorming om de kern van staatsinrichting, recht en maatschappijleer groeperend’. De indieners zien de maatschappelijke en staatsburgerlijke vorming ‘onbewust het oude verbrokkelde patroon te zien hebben behouden’. De uitvoeringsbesluiten verslechterden de positie van deze vorming verder, waardoor de indiening van het voorstel noodzakelijk werd. Temeer ook ‘daar er door snelle ontwikkelingen in onze samenleving spanningen ontstaan die langs verkeerde – gewelddadige - weg worden opgelost’. Vandaar dat de jeugd wegwijs moet worden gemaakt in de organisatie van onze staatkundige gemeenschap. Een andere aanleiding vormen de (dalende) opkomstcijfers bij de Kamerverkiezingen na de afschaffing van de opkomstplicht in 1971.
De indieners denken door de jeugd wegwijs te maken en voor te bereiden op hun rechten en plichten in een democratische maatschappij en hen te interesseren voor maatschappelijke, staatkundige en politieke zaken hierin verbetering te brengen: ‘tot slot brengt de verlaging van de kiesgerechtigde leeftijd tot 18 jaar grote mogelijkheden voor de jeugd om invloed uit te oefenen op de ontwikkelingen van de maatschappij. De school moet onze toekomstige kiezers informeren over de waarde en functie van onze democratische instellingen en de bijdrage die iedere burger daaraan kan geven. De verlaging van de kiesgerechtigde leeftijd maakt de geprogrammeerde vorming alleen maar noodzakelijker’. En marge valt het mankement van de vaknaam staatsinrichting op die de lading niet dekt. Het gaat niet alleen over de Nederlandse staat maar ook over de democratie en de organisatie van de gemeenschap, waarbij meer en meer de vraag aan de orde is naar ‘het hoe en het waarom’.
Daarnaast is de internationale dimensie van de EEG, de Verenigde Naties en het Verdrag van de Rechten van de Mens van betekenis. Gesteld is verder dat ‘vooral nu het woord democratie misbruikt wordt voor het dekken van een andere organisatievorm het zeer nodig is dat de leerling hierover de juiste, objectieve, informatie krijgt. Hij moet leren hoe democratisch te denken en te handelen. Hiervoor is opvoeding noodzakelijk. Ongeschoolden op dit terrein zijn vatbaar voor indoctrinatie met antidemocratische ideeën die onze gemeenschap kunnen bedreigen’.
Over de onderwijsbevoegdheden kan geen onduidelijkheid blijven bestaan. Ze zijn geen voorstander van een indeling van bevoegdheden met hoofd- en bijvakken: ‘vakkencombinaties hebben geleid tot ongewenste ontwikkelingen die de kwaliteit van het onderwijs ernstig hebben aangetast’. De eerstegraads docentenopleiding MO-Staatsinrichting kan uitbreiding krijgen met recht en maatschappijleer als driedelige opleiding, waarbij de bevoegdheden na elkaar zijn te behalen. Voor staatsinrichting, recht en maatschappijleer in de geprogrammeerde opzet blijft de jurist bevoegd op grond van het doctoraalexamen rechtsgeleerdheid. Verder moet ‘de bevoegdheid recht niet aan economen toekomen. Evenmin als de bevoegdheid staatsinrichting aan historici; bij gescheiden vakken horen gescheiden bevoegdheden’.
Voor de juristen en leraren MO-Staatsinrichting komt lesruimte vrij, waardoor volledige betrekkingen mogelijk worden bij voor ieder van de vakken staatsinrichting, recht en maatschappijleer twee wekelijkse lessen. Waar die uren vandaan komen, is geen vraag: ‘Als er een behoorlijke maatschappelijke en staatsburgerlijke vorming nodig is, dan moeten die uren er maar komen’. Immers bij de omzetting van het vhmo zijn extra uren gekomen door omzetting van de vijfjarige hbs in een zesjarig atheneum.
In het vak geschiedenis en staatsinrichting moet één uur staatsinrichting voorkomen dat ook is te ontkoppelen en voor recht kan een uur vrijkomen door economische wetenschappen en recht te scheiden. Maatschappijleer heeft al twee uur. Met enige urenverandering in de bovenbouw zijn deze te vinden.
De uitwerking van de voorstellen hapert bij de vormgeving van maatschappijleer en de bevoegdheden. Het doel is de juridische vakken staatsinrichting en recht in samenhang met maatschappijleer als zelfstandige vakken in de Wvo in te voeren. Het initiatiefwetsvoorstel heeft jarenlang in de la gelegen tot toezeggingen van staatssecretaris De Jong Ozn (CDA) in 1977 het voorstel in bredere context te zullen bekijken, onder gelijktijdige intrekking ervan door geestverwanten van de indieners, tot een compromis leidt.