Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/1.6.3.1
1.6.3.1 Het schrappen van ontwerpartikel 3.1.1.3 lid 3
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS484300:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
“(...), terwijl het moeilijk is een reden voor deze beperking aan te geven.” Zie MvA II, PG Boek 5, p. 76.
Overigens pleit E.F. Verheul voor het invoeren van een wettelijke voorziening om de verkoper onder voorbehoud te beschermen tegen de gevolgen van natrekking. In zijn bijdrage gaat hij er mijns inziens aan voorbij dat dit reeds mogelijk is door middel van de vestiging van een opstalrecht, zodat ik geen noodzaak zie om de mogelijkheid te creëren voor de verkoper onder eigendomsvoorbehoud om zijn eigendom in te schrijven in de openbare registers. Zie: E.F. Verheul, ‘Eigendomsvoorbehoud, bestanddeelvorming en natrekking’, WPNR 2015/7053.
Artikel 3.1.1.3 OM. Zie: OM, PG Boek 3, p. 72.
Lid 1 van het ontwerpartikel 3.1.1.4. in het ontwerp Meijers luidde: “Hulpzaken zijn zaken, die volgens verkeersopvatting bestemd zijn om een bepaalde hoofdzaak duurzaam te dienen zonder daarvan bestanddeel te zijn, en die door hun vorm als zodanig zijn te herkennen. Het laatste vereiste geldt niet voor machinerieën en werktuigen, die bestemd zijn in een voor een bepaalde bedrijf ingerichte fabriek of werkplaats te uitoefening van dat bedrijf te worden gebruikt.” Zie: OM, PG Boek 3, p. 83.
Zie hierover ook W.M. Kleijn: annotatie bij HR 15 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0412, NJ 1993/316 (Dépex/Curatoren).
Ontwerpartikel 3.1.1.3. (het huidige artikel 3:4 BW) bevatte in het Ontwerp Meijers een derde lid dat luidde:
“De verkoper van een roerende zaak, die zich bij akte ondanks de levering de eigendom heeft voorbehouden totdat de koopprijs volledig is voldaan, kan, door de akte in de openbare registers te doen inschrijven, voorkomen dat de verkochte zaak vóór de betaling tot een bestanddeel van een bepaalde onroerende zaak wordt gemaakt.”
In de eindtekst werd dit derde lid echter niet opgenomen. De argumenten tegen deze regeling waren gelegen in het feit dat de verkoper van een roerende zaak wel beschermd werd, indien hij zich de eigendom had voorbehouden, terwijl deze weg niet open stond voor bijvoorbeeld de verhuurder van een roerende zaak die op grond van 3:4 BW bestanddeel werd van een onroerende zaak. Uit de Memorie van Antwoord blijkt dat men deze beperking onvoldoende beredeneerd vond.1 Daarnaast werden vraagtekens geplaatst bij de wenselijkheid van deze regeling. De regeling was er met name op gericht de verkoper de mogelijkheid te geven, bij uitblijven van betaling, het verkochte terug te nemen. Het gegeven dat de zaak na afscheiding dikwijls een geringere waarde zal vertegenwoordigen, staat niet in verhouding tot het nadeel dat de eigenaar van de onroerende zaak en diens schuldeisers ondervinden door de afscheiding. Tot slot bleek men het onbillijk te vinden dat degene wiens prestatie nog voor afscheiding vatbaar is wel beschermd wordt, terwijl dit niet geldt voor degene wiens prestatie niet afgescheiden kan worden. Hierbij wordt als voorbeeld de aannemer van schilderwerk gegeven.2
Het schrappen van lid 3 van art. 3:4 BW3 kan gezien worden als argument tegen een ruime uitleg van het opstalrecht. Uit de Parlementaire Geschiedenis blijkt immers dat men een regeling die ervoor zorgde dat men zich het eigendom van een bestanddeel van een zaak zou kunnen voorbehouden onwenselijk vond. Mijns inziens is dit argument echter niet zo zwaarwegend als het wellicht op eerste aanblik schijnt. Hoewel inderdaad gekozen werd lid 3 van ontwerpartikel 3.1.1.3. te ecarteren, staat er nog een belangrijke alinea in de Parlementaire Geschiedenis over bestanddeelvorming op grond van art. 3:4 lid 1 BW. Hierin werd benadrukt dat hoewel de hulpzaak als wettelijk begrip geschrapt is4 men ervan uitging dat deze hulpzaken als volledig zelfstandige roerende zaken te gelden hebben:
“Het gewijzigd ontwerp laat aldus de mogelijkheid open dat zich een gewoonte ontwikkelt enerzijds om kostbare roerende zaken die bestemd zijn in samenhang met een onroerende zaak te worden gebruikt, aldus te construeren en de verbinding daarvan met deze onroerende zaak aldus in te richten, dat opheffing van deze verbinding zonder bezwaar kan geschieden, en anderzijds om overeen te komen dat de eigendom van deze roerende zaken zal blijven waar zij is. Aldus zal zich in de praktijk een verkeersopvatting kunnen vormen die aan een beding van eigendomsvoorbehoud werking toekent, juist in die gevallen dat afscheiding economisch niet wenselijk en als reëel belang van de maker van het beding kan worden beschouwd.”
Ik leid hier uit af dat ervan uitgegaan werd dat er een verkeersopvatting zou (kunnen) ontstaan die ervoor zou zorgen dat indien een zaak verkocht en geleverd werd onder eigendomsvoorbehoud, deze zaak niet nagetrokken zou worden op grond van art. 3:4 lid 1 BW (naar verkeersopvatting) door een andere zaak. Naar huidig recht vallen echter vele zaken die vroeger onder de ‘hulpzaken’ vielen, thans onder de bestanddelen van art. 3:4 lid 1 BW.5 Dit pleit mijns inziens voor een ruime(re) uitleg van het opstalrecht: in de Parlementaire Geschiedenis wordt immers erkend dat het in sommige gevallen (gesproken wordt over de situatie dat het kostbare roerende zaken betreft) onwenselijk kan zijn dat deze nagetrokken worden door een onroerende zaak. Nu zo een verkeersopvatting niet ontstaan is, zou dit juist pleiten voor de mogelijkheid om door middel van de vestiging van een opstalrecht natrekking op grond van art. 3:4 BW te voorkomen. Maar er zijn meer argumenten die dit standpunt ondersteunen.