Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/3.4.3.5.3
3.4.3.5.3 Boos opzet in het fiscale boeterecht?
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS566202:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van Riel 2011, p. 12; De Blieck e.a. 2013, p. 443. In De Blieck e.a. 2015 is dit standpunt niet meer terug te vinden.
HR 22 juni 2007, BNB 2007/292, ECLI:NL:HR:2007:BA7728, r.o. 3.2.3.
HR 14 maart 1979, BNB 1979/118: “… dat zij immers impliceert dat belanghebbende, toen hij zijn aangifte deed, niet wist dat de door hem ontvangen vergoeding tot zijn belastbaar inkomen behoorde hoedanige wetenschap voor opzet is vereist.”; HR 7 september 1988, BNB 1988/319, r.o. 4.4; HR 30 september 1998, BNB 1999/17, r.o. 3.4; HR 11 oktober 2002, BNB 2003/4, ECLI:NL:HR:2002:AE8730, r.o. 3.3; HR 3 december 2010, BNB 2011/59, ECLI:NL:HR:2010:BO5989, r.o. 3.4.1 (overweging in verband met kwade trouw). De vraag of het opzet op de onjuiste interpretatie of toepassing van het belastingrecht moet zien, wordt zelden gesteld, zie bij wijze van uitzondering – en niet passend bij de wijze waarop het opzet door de belastingkamer van de Hoge Raad wordt ingevuld – Hof ’s-Hertogenbosch 8 april 2008, ECLI:NL:GHSHE:2008:BD3367, r.o. 4.7.
Zie bijvoorbeeld HR 11 juli 1984, BNB 1984/268, r.o. 4; HR 23 september 1992, BNB 1993/193, r.o. 3.3.6; HR 8 februari 2002, BNB 2002/150, ECLI:NL:HR:2002:AD9105, r.o. 3.3.
Van Riel 2011, p. 12
HR 11 januari 2013, BNB 2013/63, ECLI:NL:HR:2013:BY8091, r.o. 2.3. In deze zaak was nagelaten te betalen en ook, ondanks een waarschuwing, nagelaten om aangifte te doen (dit blijkt niet uit het zojuist genoemde arrest, maar maak ik op uit de daaraan voorafgaande uitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch van 25 september 2009, ECLI:NL:GHSHE:2009:BK5480, r.o. 2.4). Door het pleitbaar standpunt verweer te beschouwen als een bewijsverweer dat is gericht tegen opzet, is de belastingkamer van de Hoge Raad er impliciet van uitgegaan dat het opzet bij het nalaten om te betalen ook op onjuiste interpretatie of toepassing van het belastingrecht moet zijn gericht.
De belastingkamer van de Hoge Raad heeft zich nog niet expliciet uitgelaten over de vraag of in het fiscale boeterecht boos of kleurloos opzet het uitgangspunt is.
In de fiscale literatuur wordt ervan uitgegaan dat het opzet in het fiscale boeterecht boos is. De reden hiervoor zou zijn dat het opzet in het fiscale boeterecht niet op een gedraging zou zijn gericht, maar op een gevolg, de onjuiste belastingheffing of -betaling.1 In dat geval zou er echter een verschil moeten ontstaan tussen het opzet bij de vergrijpboetes bij navordering en naheffing en het opzet bij de vergrijpboete bij definitieve aanslag. De belastingkamer van de Hoge Raad heeft echter, zoals hiervoor in paragraaf 3.4.3.1 opgemerkt, geoordeeld dat het opzetbegrip in de laatstgenoemde boetebepaling geen andere invulling heeft dan overigens in het fiscale boeterecht.2 Bovendien wordt opzet, zoals eerder opgemerkt, niet boos door de gerichtheid op het gevolg, maar door de gerichtheid op de strafbaarheid of wederrechtelijkheid.
In de jurisprudentie van de belastingkamer van de Hoge Raad is niet terug te vinden dat voor de vaststelling van opzet moet worden bewezen dat de belastingplichtige wist dat zijn gedraging, zoals het doen van een onjuiste aangifte, strafbaar of wederrechtelijk was. Ik ga er daarom van uit dat ook in het fiscale boeterecht het opzet niet boos is.
Uit de jurisprudentie van de belastingkamer van de Hoge Raad is wel op te maken dat het opzet in de boetebepalingen die verband houden met het doen van een onjuiste aangifte op onjuiste interpretatie of toepassing van het belastingrecht moet zien, oftewel is gekleurd door de delictsomschrijving.3 Daarnaast volgt de kleuring van het opzet uit de jurisprudentie waarin is geoordeeld dat het pleitbare standpunt tot het ontbreken van opzet leidt.4 Als, zoals hiervoor gezegd, het opzet niet op onjuiste interpretatie of toepassing van het belastingrecht zou hoeven te zien, zou het voor het bewijs van het opzet ook niet relevant zijn dat die onjuiste interpretatie of toepassing pleitbaar is.5 Zowel het opzet in art. 67d AWR, het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte, het opzet in art. 67e AWR, het opzettelijk veroorzaken van een onjuiste belastingheffing als het opzet in art. 67f AWR, het opzettelijk ten onrechte niet6 of gedeeltelijk niet betalen, moet derhalve zijn gericht op de onjuiste interpretatie of toepassing van het belastingrecht.
Het voorgaande houdt echter niet in dat het opzet in het gehele fiscale boeterecht moet zijn gericht op onjuiste interpretatie of toepassing van het belastingrecht. De concrete invulling van het opzetbestanddeel vindt immers steeds plaats vanuit de desbetreffende delictsomschrijving.