Einde inhoudsopgave
De kapitaalverschaffer zonder stemrecht in de BV (VDHI nr. 116) 2013/4.3.2
4.3.2 De berekening van meerderheden en quora (art. 2:24d BW)
R.A. Wolf, datum 14-03-2013
- Datum
14-03-2013
- Auteur
R.A. Wolf
- JCDI
JCDI:ADS388937:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Ten Berg heeft kritiek geuit op een eerdere formulering van dit artikel. Zie Ten Berg 2007, p. 342-344. Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer van het wetsvoorstel is deze kritiek aan de orde geweest, zie Kamerstukken II 2008/09, 31 058, nr. 6, p. 14-15 (NV II) en Kamerstukken II 2008/09, 31 058, nr. 7, p. 12 (Nota van Wijziging). Het gaat mijn onderzoeksvraag te buiten die eerdere formulering en de reacties daarop uitgebreid te bespreken. Zie ook Portier 2008, p. 238 en Dortmond 2009 (1).
Kamerstukken II 2008/09, 31 058, nr. 6, p. 15 (NV II).
Voor dit alles Kamerstukken II 2008/09, 31 058, nr. 6, p. 14-15 (NV II).
Art. 2:24d lid 1 BW bepaalt als hoofdregel dat bij de vaststelling in hoeverre de leden of aandeelhouders stemmen, aanwezig of vertegenwoordigd zijn, of in hoeverre het aandelenkapitaal verschaft wordt of vertegenwoordigd is, geen rekening wordt gehouden met lidmaatschappen of aandelen waarvan de wet of een statutaire regeling als bedoeld in art. 2:228 lid 5 BW bepaalt dat daarvoor geen stem kan worden uitgebracht. De uitzondering op deze hoofdregel wordt gevormd door art. 2:24d lid 2 BW. Dat artikellid bepaalt dat voor de toepassing van de art. 2:24c, 63a, 152, 201a, 220, 224a, 262, 265a, 333a lid 2, 334ii lid 2, 336 lid 1, 346, 379 lid 1 en lid 2, 407 lid 2, 408 lid 1 en 414 BW ten aanzien van BV tevens rekening gehouden met stemrechtloze aandelen, zoals bedoeld in art. 2:228 lid 5 BW.
De hoofdregel van het eerste lid is aldus dat stemrechtloze aandelen bij de berekening van meerderheden en quora in het kader van de besluitvorming dan wel het verschaffen van aandelenkapitaal of vertegenwoordigd zijn, niet meetellen. Het gaat in art. 2:24d lid 1 BW om de situatie van zeggenschap of stemming. Daarmee wordt voorkomen dat de stemrechtloze aandeelhouder besluitvorming kan frustreren door niet aanwezig te zijn, bijvoorbeeld in het geval dat in de statuten bepaald is dat de bevoegdheid tot wijziging is uitgesloten, in welk geval wijziging niettemin mogelijk is met algemene stemmen in een vergadering waarin het gehele geplaatste kapitaal vertegenwoordigd is (art. 2:231 lid 1 BW). Anders gezegd, bij het bepalen van de mate waarin het gehele geplaatste kapitaal vertegenwoordigd is, tellen stemrechtloze aandelen niet mee. Niettemin wordt de stemrechtloze aandeelhouder bij statutenwijziging beschermd door het bepaalde in art. 2:231 lid 4 BW.
Het tweede lid formuleert voor de daarin genoemde artikelen de uitzondering.1 Het gaat daarbij om de situatie dat een bepaalde omvang in de deelname van het kapitaal relevant is. De in art. 2:24d lid 2 BW genoemde artikelen behelzen de volgende onderwerpen: het begrip ‘deelneming’ (art. 2:24c BW), het begrip ‘afhankelijke maatschappij’ in de structuurregeling (art. 2:63a, 2:152 en 2:262 BW), het recht om bijeenroeping van een algemene vergadering te verzoeken (art. 2:220 BW), het agenderingsrecht (art. 2:224a BW), het verzwakte regime bij de structuurregeling (art. 2:265a BW), het uitstotingsrecht in de geschillenregeling (art. 2:336 lid 1 BW), het enquêterecht (art. 2:346 BW), de verplichting tot vermelding van gegevens van vennootschappen of rechtspersonen waarin ten minste een vijfde van het kapitaal wordt verschaft (art. 2:379 lid 1 en lid 2 BW) of die in relatie staan tot een in de geconsolideerde jaarrekening betrokken vennootschap of rechtspersoon (art. 2:414 lid 1, onderdeel e, en lid 2, onderdeel d BW), de regeling van de driehoeksfusie (art. 2:333a lid 2 BW) en de driehoekssplitsing (art. 2:334ii BW) en het recht bezwaar te maken tegen het achterwege blijven van consolidatie van de jaarrekening (art. 2:407 lid 2, onderdeel c, en art. 2:408 lid 1, onderdeel a BW).
Ook voor de uitkoopregeling (art. 2:201a BW) wordt een uitzondering gemaakt. Om te voorkomen dat een aandeelhouder die minder dan 95 procent van het geplaatste kapitaal vertegenwoordigt, de minderheid zou kunnen uitkopen (omdat een deel van zijn aandelen stemrechtloos is), is in art. 2:201a BW bepaald dat een aandeelhouder voor het uitkooprecht niet alleen 95 procent van het geplaatste kapitaal moet verschaffen, maar tevens 95 procent van de stemrechten in de algemene vergadering moet kunnen uitoefenen.2
De wetgever stelt dat de uitzonderingsregel van art. 2:24d lid 2 BW is opgenomen om te benadrukken dat het gaat om stemrechtloze aandelen in de zin van art. 2:228 lid 5 BW, welke aandelen alleen het BV-recht kent. Daarnaast moet in de systematiek van art. 2:24d lid 2 BW rekening gehouden worden met rechten waarvan het wenselijk is dat deze voor alle aandeelhouders gelden, met inbegrip van houders van stemrechtloze aandelen. Tot slot merkt de wetgever op dat uitzonderingen op de hoofdregel van art. 2:24d BW noodzakelijk zijn om te voorkomen dat bepaalde regelingen kunnen worden ontweken door gebruik te maken van stemrechtloze aandelen of om te voorkomen dat bepaalde regelingen ingeval van stemrechtloze aandelen een ongewenst effect hebben.3