De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep
Einde inhoudsopgave
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/2.2.8.3:2.2.8.3 Deontologie van de advocaten
De optimale rechtsvorm voor de samenwerking in het beroep (VDHI nr. 139) 2017/2.2.8.3
2.2.8.3 Deontologie van de advocaten
Documentgegevens:
mr. S.E. van der Waals, datum 30-01-2017
- Datum
30-01-2017
- Auteur
mr. S.E. van der Waals
- JCDI
JCDI:ADS387989:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1933/34, 72, nr. 2, p. 6 (MvA).
Luijten 1974, p. 24.
Zie de website van de NOvA: <www.advocatenorde.nl>.
Luijten 1974, p. 25.
Luijten 1974, p. 25.
Zie de website van de NOvA: <http://regelgeving.advocatenorde.nl>.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook voor advocaten geldt dat zij van oudsher gebruikmaken van de maatschap als samenwerkingsvorm. Minister Van Schaik zei ter gelegenheid van de in paragraaf 2.2.2 reeds besproken wijziging van het Wetboek van Koophandel in 1934 al dat de diensten van de advocaat gezocht worden om zijn persoonlijke kwaliteiten, wat aan het optreden een bijzonder karakter geeft dat naar de verkeersopvattingen onverenigbaar is met de uitoefening van een bedrijf.1 Vandaar dat de regels die voor de v.o.f. golden niet strookten met het karakter van de beroepsuitoefening.
In 1961 werd zelfs de verklaring van geen bezwaar onthouden aan een advocaten- NV.2 Deze situatie is veranderd naar aanleiding van de Samenwerkingsverordening en de Verordening op de praktijkvennootschap van 24 november 1972. Deze regels waren opgesteld door het College van Afgevaardigden der Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA)3 en traden per 1 januari 1973 in werking. In de Samenwerkingsverordening was een aantal interessante aspecten van de beroepsuitoefening van de advocaat geregeld. In artikel 1 van de Verordening stond de definitie van een samenwerkingsverband. Dit was, zo blijkt uit dit artikel ‘iedere vorm van samenwerking van duurzame aard, waaraan een advocaat als zodanig deelneemt, en die een overwegend deel van zijn praktijk betreft’. In artikel 2.1 werd aangegeven dat advocaten slechts met andere advocaten, dan wel andere vrije-beroepsbeoefenaren samen mochten werken.4 Naast de Samenwerkingsverordening bestond de Verordening op de praktijkvennootschap. Hierin was geregeld aan welke voorwaarden een vennootschap moest voldoen die de rechtspraktijk uitoefende. Voor de exacte bewoordingen van deze regelingen verwijs ik naar een bijdrage van Luijten uit 1974.5 Deze verordeningen maakten het voor advocaten mogelijk om samen te werken met anderen vanuit de rechtsvorm van de maatschap, maar ook vanuit de BV of zelfs een NV.
Tegenwoordig zijn de voor advocaten geldende beroepsregels door de NOvA neergelegd in verschillende verordeningen en reglementen. De belangrijkste in het kader van dit onderzoek zijn de op 1 januari 2015 in werking getreden Verordening op de advocatuur, de Gedragscode en deRichtlijnen m.b.t. samenwerkingsverbanden van advocaten en andere (erkende) beroepsbeoefenaren. Deze laatste regeling is van toepassing op samenwerkingsverbanden tussen advocaten onderling en advocaten en andere beroepsbeoefenaren.6 Uit deze verordening, code en richtlijnen blijkt dat het bij de samenwerking tussen advocaten van groot belang is dat de vrije en onafhankelijke praktijkuitoefening gewaarborgd blijft. In de huidige Verordening wordt onder samenwerkingsverband verstaan: ‘iedere samenwerking waarin de deelnemers voor gezamenlijke rekening en risico praktijk uitoefenen of te dien aanzien de zeggenschap dan wel de eindverantwoordelijkheid met elkaar delen’. Ook de tegenwoordig van kracht zijnde Verordening spreekt niet over het verplicht aangaan van een maatschap wanneer advocaten tot samenwerking willen overgaan. Net als in de Verordening van 1972 wordt er zelfs onderkend dat er verschillende wijzen zijn waarop dit kan gebeuren.
Wel geldt nog steeds de regel dat advocaten slechts met een select gezelschap beroepsbeoefenaren een samenwerkingsverband kunnen aangaan. Op grond van artikel 5.4 van de Verordening mag een advocaat uitsluitend een samenwerkingsverband aangaan met andere advocaten, praktijkrechtspersonen en samenwerkingsverbanden, niet in Nederland ingeschreven advocaten die lid zijn van een door de algemene raad erkende beroepsorganisatie van advocaten in het buitenland, en notarissen, accountants en belastingadviseurs. Het is de advocaat bovendien op grond van artikel 5.5 van de Verordening niet toegestaan om met andere dan de in artikel 5.4 genoemde beroepsbeoefenaren, samenwerkingsverbanden en praktijkrechtspersonen onder een gemeenschappelijke naam naar buiten op te treden.