Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.2.4.1
7.2.4.1 De relativiteit bij rechtsinbreuk
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284531:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Het subjectieve recht is niet nauwkeurig gedefinieerd in de wet of jurisprudentie. Het is dus een begrip met enige rafelrandjes. In de kern is het echter wel duidelijk dat het gaat om direct door de wet toegekende rechten die dienen tot de behartiging van diens belangen. Zie daarover Jansen 2018, aant. 4.1.3.1 en bijv. Meijers 1948, p. 86; Sieburgh 2000, p. 60-61 en Asser/Sieburgh 6-IV 2019, nr. 46.
Dit begrip wordt in het algemeen onderverdeeld in rechten op goederen (eigendom, beperkte rechten, IE-rechten) en persoonlijke vermogensrechten (huurrecht, pachtrecht). In het algemeen neemt men aan dat vorderingsrechten op naam hier niet onder vallen, omdat dit rechten zijn die slechts jegens de schuldenaar geldend gemaakt kunnen worden. Zie hierover Sieburgh 2000, voetnoot 46 die deze categorie helemaal uitsluit vs. Biemans 2009, p. 473 e.v. die meent dat deze categorie wel onder het rechtsbegrip valt. Weifelend: Asser/Sieburgh 6-IV 2019, nr. 46.
Hierbij kan men denken aan algemene rechten als lichamelijke integriteit, vrijheid van handelen, eer en goede naam en de persoonlijke levenssfeer. Meer algemeen zou men kunnen denken aan de klassieke grondrechten. Zie hierover HR 9 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5500, NJ 1987/928, m.nt. E.A. Alkema (Edamse bijstandsvrouw), HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9609, NJ 2003/589, m.nt. J.B.M. Vranken (K./Aegon) en HR 18 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:942, NJ 2015/20, m.nt. M.M. Mendel en H.B. Krans (Achmea/Rijnberg).
Het leerstuk toetst immers in de kern of de laedens de gelaedeerde aan een groter risico heeft blootgesteld dan in de gegeven omstandigheden maatschappelijk aanvaardbaar was. Daarvoor is onder meer de waarschijnlijkheid dat de schade zou zijn ontstaan en de mogelijkheden om daartegen voorzorgsmaatregelen te treffen relevant. Het leerstuk veronderstelt dus dat de schade is ontstaan.
Zie over deze problematiek onder andere Hartlief e.a. 2018, nr. 35 e.v. en Asser/Sieburgh 6-IV 2019, nr. 47.
Parl. Gesch. Boek 6, p. 614. Zie verder Meijers 1948, p. 86; Van der Kooij 2019, nr. 354. In HR 14 maart 1958, ECLI:NL:HR:1958:147, NJ 1961/570 (Spitfire) oordeelde de Hoge Raad dat over de inbreuk op een subjectief recht alleen kan worden geklaagd door de rechthebbende. In HR 26 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5967, NJ 2000/671, m.nt. D.W.F. Verkade (Cassina/Jacobs Meubelen) lijkt de Hoge Raad volgens Van der Kooij onder omstandigheden de beschermingsreikwijdte iets breder te willen trekken. Zie daarover Van der Kooij 2019, nr. 685. Sieburgh meent dat voor aansprakelijkheid jegens zo’n niet-rechthebbende steeds jegens hem een zelfstandige geschreven norm of ongeschreven zorgvuldigheidsnorm geschonden moet zijn: Asser/Sieburgh 6-IV 2019 nr. 136.
Zie hierover Van der Kooij 2019, nr. 353 e.v.
Zie hierover Van der Kooij 2019, nr. 354.
HR 22 april 1994, ECLI:NL:HR:ZC1347, NJ 1994/624, m.nt. C.J.H. Brunner (Taxusstruik). Zie daarover Asser/Sieburgh 6-IV 2019, nr. 53 en conclusie A-G Bloembergen voor het arrest onder 4.2. Zie ook Jansen 2019b, aant. 4.4.3.
Het eigendomsrecht op de paarden beschermt natuurlijk wel weer tegen de waardevermindering en winstderving als gevolg van die dood. De overhangende taxusstruik maakt op dat eigendomsrecht echter geen inbreuk.
Deze notie zit ook dieper ingebakken in het huurrecht voor bedrijfsruimten. Zo is het genuanceerde beëindigingssysteem van art. 7:295 en 7:296 BW gegrond op een afweging van het belang van de huurder om gedurende een zekere periode het gehuurde economisch te kunnen exploiteren en het belang van de verhuurder om diens pand anderszins te kunnen exploiteren anderzijds (waarin men dan weer de strekking van diens eigendomsrecht terugziet). Zie hierover Asser/Rossel/Heisterkamp 7-II 2017, nr. 524 e.v.
Zie hierover Asser/Rossel/Heisterkamp 7-II 2017 n, nr. 4 e.v.
423. Een inbreuk op een subjectief recht is onrechtmatig. Onder het begrip subjectief recht vallen ruwweg1 absolute rechten2 en persoonlijkheidsrechten.3 In de literatuur bestaat discussie over de vraag wanneer precies sprake is van een rechtsinbreuk. Zou men aanvaarden dat iedere aantasting van een subjectief recht als gevolg van een gedraging reeds tot onrechtmatigheid leidt, dan zou dat een te ruime aansprakelijkheid tot gevolg hebben. Aan het leerstuk van de gevaarzetting zou dan bijvoorbeeld geen eigen positie meer toekomen, omdat dat leerstuk tot uitgangspunt neemt4 dat er (in de regel) zaaks- of letselschade is ontstaan.5 Ik laat deze materie hier rusten, omdat zij voor de vraag hoe de relativiteit bij de rechtsinbreukcategorie moet worden vastgesteld niet van belang is.
424. Als uitgangspunt is de reikwijdte van de persoonlijke relativiteit bij een rechtsinbreuk duidelijk: het recht beschermt de rechthebbende op wiens recht inbreuk is gemaakt.6
425. De vragen van zakelijke en ontstaansrelativiteit zijn bij deze categorie lastiger te beantwoorden. De aard, inhoud en het doel van het geschonden subjectieve recht bepalen in het algemeen waartegen dat recht bescherming wil bieden.7 Waar het subjectieve recht een uitgewerkte wettelijke regeling kent, biedt de wet (of bijvoorbeeld een verdrag dat het subjectief recht beschermt) ter vaststelling van de relativiteit aanvullende belangrijke aanwijzingen. Ik geef twee voorbeelden.
426. Art. 5:1 lid 1 BW bepaalt dat het eigendomsrecht het meest omvattende recht op een zaak is en de eigenaar daarvan met uitsluiting van eenieder gebruik kan maken. Het eigendomsrecht creëert zo de sfeer waarin derden niet mogen treden. In het verlengde daarvan waarborgt het eigendomsrecht door uitsluiting van derden de vermogenswaarde van het eigendom. De exclusiviteit van het eigendomsrecht heeft ook een economische component: de eigenaar heeft met uitsluiting van anderen de volledige economische exploitatiemogelijkheden van het eigendom. Art. 5:1 lid 3 BW vormt daarvan een gedeeltelijke wettelijke neerslag: de eigenaar verkrijgt de van het eigendom afgescheiden vruchten. In het licht hiervan is begrijpelijk dat het eigendomsrecht beschermt tegen bijvoorbeeld de waardedaling van de zaak door beschadiging, de kosten om de inbreuk op te heffen, de kosten voor herstel van het eigendom en de winstderving omdat de eigenaar door de inbreuk niet ten volle over het eigendom heeft kunnen beschikken.8 Het eigendomsrecht op een stuk grond beschermt weer niet tegen de dood van paarden als gevolg van een over de erfgrens stekende, door de paarden opgegeten, giftige taxusstruik.9 Het eigendomsrecht is gericht op het behoud en de exploitatie van de grond, niet op de bescherming van die paarden.10 In §8.4.1 verdedig ik dat naast (de ratio blijkend uit) de wettelijke regeling van art. 5:1 lid 1 BW (en bijv. een verdragsbepaling als art. 1 EP EVRM) ook de schadevergoedingsregeling uit de Onteigeningswet belangrijke aanknopingspunten biedt, een blauwdruk vormt, voor de beschermingsomvang van het eigendomsrecht.
427. Een vergelijkbare benadering geldt voor bijvoorbeeld het huurrecht. Ook daar is de aard en inhoud van het recht relevant voor de omvang van de bescherming: het huurrecht op een (230a of 290-)bedrijfsruimte biedt de huurder het recht – behoudens wettelijke en contractuele beperkingen en de rechten van de verhuurder – om het gehuurde ongestoord economisch te exploiteren. Dit volgt reeds uit de aard van het recht: huur van bedrijfsruimte.11 Daarom valt bedrijfseconomische schade als gevolg van inbreuk op dat huurrecht door derden als uitgangspunt onder het beschermingsbereik van dat recht. Het huurrecht op een woning strekt naar zijn aard echter niet tot bescherming van economische exploitatie, maar tot bescherming van ongestoord woongenot.12 Daarom leidt een gebruiksbeperking van een gehuurd woonhuis niet tot een aanspraak op eventuele als gevolg daarvan gederfde winst – bijvoorbeeld omdat de beperking de exploitatie van een thuiswinkel blokkeert. Het huurrecht op woonruimte beschermt dus tegen andere schade dan het huurrecht op bedrijfsruimte.