Het akkoord
Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/7.3.9:7.3.9 Beoordeling ontbindingsverzoek schuldeiser van een in surseance betwiste vordering
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/7.3.9
7.3.9 Beoordeling ontbindingsverzoek schuldeiser van een in surseance betwiste vordering
Documentgegevens:
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS448558:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Indien een schuldeiser van een betwiste vordering ontbinding van een akkoord verzoekt, dient de rechter in beginsel te onderzoeken of summierlijk blijkt van het bestaan van de vordering. Voor het kunnen toewijzen van een verzoek tot ontbinding van een akkoord is immers op de eerste plaats vereist dat de vordering van de verzoekende schuldeiser bestaat, althans dat van het bestaan daarvan summierlijk is gebleken. Zoals opgemerkt, is een uitgebreid onderzoek naar de gegrondheid van de vordering niet nodig, maar kan met een kort, eenvoudig onderzoek naar het bestaan van de vordering worden volstaan. Bedacht dient hierbij te worden dat in het kader van de toelating de rechter-commissaris (of de rechtbank) geen reden heeft gevonden de schuldeiser van de betwiste vordering toe te laten. Deze situatie is derhalve het spiegelbeeld van de situatie waarin een schuldeiser van een betwiste vordering wel door de rechter-commissaris tot de stemming wordt toegelaten. Voor beide gevallen geldt echter dat de rechter-commissaris zich heeft moeten buigen over de vraag of er ondanks de betwisting voldoende grond aanwezig is om het bestaan van de vordering te mogen aannemen. Wordt een schuldeiser van de betwiste vordering niet toegelaten, dan moet ervan worden uitgegaan dat de rechtercommissaris het bestaan van de vordering niet aannemelijk heeft geacht. De verzoekende schuldeiser dient in de ontbindingsprocedure derhalve aannemelijk te maken dat zijn vordering wel bestaat.