Het akkoord
Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/7.3.6:7.3.6 Beoordeling ontbindingsverzoek schuldeiser wiens vordering is erkend in faillissement doch betwist door de schuldenaar
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/7.3.6
7.3.6 Beoordeling ontbindingsverzoek schuldeiser wiens vordering is erkend in faillissement doch betwist door de schuldenaar
Documentgegevens:
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS448555:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 126 lid 1 slot Fw.
Tenzij de vordering van een betwiste schuldeiser nadien in een gerechtelijke procedure is komen vast te staan.
Zie de paragrafen hierna bij de bespreking van de uitspraken UPC/Movieco.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het systeem van de wet laat toe dat een vordering in het faillissement wordt erkend, terwijl de schuldenaar dezelfde vordering in het faillissement heeft betwist. De betwisting op de voet van art. 126 lid 1 Fw doet derhalve niet af aan de erkenning van de vordering in het faillissement.1
De betwisting door de schuldenaar heeft evenwel tot gevolg dat de vordering niet in het proces-verbaal wordt opgenomen op de lijst van erkende vorderingen. De vordering krijgt hierdoor geen kracht van gewijsde zaak (art. 121 lid 4 Fw), waardoor de vordering in het faillissement niet onherroepelijk ten opzichte van de schuldenaar komt vast te staan. Een schuldeiser wiens vordering door de schuldenaar is betwist, verkrijgt evenmin de executoriale titel van art. 159 Fw. De schuldeiser kan derhalve geen nakoming van een akkoord afdwingen, maar wel ontbinding van een akkoord verzoeken, indien de schuldenaar het akkoord jegens hem niet nakomt.2
De erkenning van de vordering in het faillissement betekent dat de betreffende schuldeiser zonder meer kan deelnemen aan de stemming over het akkoord. Hiervoor is dus geen voorwaardelijke toelating nodig van de rechter-commissaris. De vordering is weliswaar een door de schuldenaar betwiste vordering, maar dit heeft zoals gezegd in het faillissement zelf geen enkel effect. Als een schuldeiser wiens vordering in het faillissement is erkend, ontbinding van het akkoord verzoekt, is het uitgangspunt in de ontbindingsprocedure dat de vordering een erkende vordering is. In het systeem van de wet betekent dit dat in beginsel aan de toets van art. 6 lid 3 Fw is voldaan.
Een schuldeiser van een betwiste vordering die aanspraak wil maken op het akkoord, dient eerst in een gewone procedure zijn recht jegens de schuldenaar te laten vaststellen. De vraag die zich aandient, is of de betwisting door de schuldenaar ook invloed heeft op de beoordeling van het ontbindingsverzoek door de rechter. Nu de vordering in het faillissement is erkend, is het systeem van de wet aldus dat daarmee summierlijk van het bestaan van de vordering is gebleken en zodoende aan een van de voorwaarden van art. 6 lid 3 Fw is voldaan. De schuldenaar kan de erkenning van de vordering van de verzoekende schuldeiser alleen ontkrachten, indien hij in de ontbindingsprocedure gronden aandraagt waardoor het voor de rechter aannemelijk wordt om aan het bestaan van de vordering te twijfelen.3