Het akkoord
Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/7.3.7:7.3.7 Beoordeling ontbindingsverzoek schuldeiser van een in surseance erkende vordering
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/7.3.7
7.3.7 Beoordeling ontbindingsverzoek schuldeiser van een in surseance erkende vordering
Documentgegevens:
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS442381:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In deze situatie geldt hetzelfde als hetgeen hiervoor is opgemerkt over een in het faillissement erkende vordering.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor is opgemerkt dat surseance in tegenstelling tot faillissement geen echte verificatie van vorderingen kent. Om deze reden vinden we in de regeling van de surseance geen pendant van art. 121 lid 4 Fw. Een erkenning van een vordering in surseance heeft derhalve niet dezelfde rechtskracht als een erkenning in faillissement. Evenwel kan in het kader van de beoordeling van het ontbindingsverzoek worden gezegd dat, indien de vordering van degene die ontbinding vordert, voorkomt op de lijst van erkende vorderingen, hiermee in beginsel is voldaan aan het summierlijk blijken van de vordering.1 Indien de schuldenaar in de ontbindingsprocedure de vordering voor het eerst betwist, dient hij aannemelijk te maken dat de vordering niet of niet langer bestaat. Dit laatste doet overigens niet af aan het feit dat de schuldeiser van de erkende vordering de executoriale titel van art. 274 Fw toekomt. Vast staat immers dat de vordering in de surseance niet door de schuldenaar is betwist.