Het akkoord
Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/7.3.4:7.3.4 Beoordeling ontbindingsverzoek voorwaardelijk toegelaten schuldeiser ex art. 125 Fw
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/7.3.4
7.3.4 Beoordeling ontbindingsverzoek voorwaardelijk toegelaten schuldeiser ex art. 125 Fw
Documentgegevens:
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS446098:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het kader van art. 125 Fw heeft de rechter-commissaris beslissingen moeten nemen met betrekking tot vorderingen die in het faillissement zijn betwist. Een schuldeiser van een betwiste vordering kan door de rechtercommissaris al dan niet voorwaardelijk zijn toegelaten tot de stemming over een akkoord. Indien een schuldeiser van een betwiste vordering voorwaardelijk is toegelaten en deze schuldeiser vervolgens ontbinding van het akkoord verzoekt, is het vertrekpunt van de rechter bij de beoordeling van dat ontbindingsverzoek dat in beginsel voldaan is aan het vereiste van art. 6 lid 3 Fw. De rechter-commissaris heeft immers in het kader van de voorwaardelijke toelating reeds geoordeeld dat de vordering hem voldoende gegrond voorkomt. Voor het summierlijk blijken van de vordering in art. 6 lid 3 Fw zou dat oordeel in beginsel het uitgangspunt moeten zijn. In de parlementaire geschiedenis wordt bij art. 125 Fw het volgende opgemerkt:
"Uit den aard der zaak zal de rechter-commissaris van de hem verleende bevoegdheid alleen gebruik maken, als de vordering hem voorshands voldoende gestaafd voorkomt."1
Aangezien in de ontbindingsprocedure geen ruimte is voor een uitgebreid onderzoek naar het bestaan van de vordering, kan worden aangenomen dat met de voorwaardelijke toelating door de rechter-commissaris in beginsel voldaan is aan het summierlijk blijken van de vordering in de zin van art. 6 lid 3 Fw. Dit is alleen anders indien de schuldenaar in de procedure alsnog aannemelijk weet te maken dat er redenen aanwezig zijn, om aan het bestaan van het vorderingsrecht van de verzoekende schuldeiser te twijfelen.2