Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.12.1
8.12.1 Alternatieve opschortende voorwaarde
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS397337:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Van Mierlo 1988, p. 74, Peter 2007, p. 163-164 en Bartels 2014, p. 152-153.
Eggens 1930, p. 409.
Eggens 1930, p. 409.
Reehuis 1987, p. 87.
Vriesendorp 1985a, p. 95.
Mayrhofer 1969b, p. 293-294.
In die richting echter Mezas 1985, p. 58, Reehuis 1987, p. 86 en Van Mierlo 1988, p. 73 (zij het als reactie op de gedachte dat de koper de verkoper zou vertegenwoordigen).
Men treft deze constructie in de (oudere) Duitse en Oostenrijkse literatuur nog wel aan, maar dan uitsluitend in geval van een nachgeschalteter eigendomsvoorbehoud. Ook dan wordt deze constructie tegenwoordig – behoudens een uitdrukkelijk beding in de richting van een alternatieve opschortende voorwaarde – echter verworpen. Zie bijv. Mayrhofer 1969b, p. 293 (‘Parteien können jede der beiden Formen festlegen’, maar hij wil bij twijfel niet uitgaan van de constructie van de alternatieve opschortende voorwaarde wegens de ver-strekkender gevolgen) en Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 635 (‘möglich, aber gewiû nicht zu vermuten’). Vgl. ook Frotz 1970, p. 182-183. Zie voor Duitsland de verwijzingen bij Serick 1963, p. 420, voetnoot 59. In BGH 24 maart 1971, NJW 1971, 1038 werd deze constructie verworpen, aangezien werd overwogen dat bij een nachgeschalteter Eigentumsvorbehalt de verkoper zijn eigendomsrecht niet reeds door de vervreemding door de koper verliest, maar pas als ofwel de koper de verschuldigde tegenprestatie voldoet ofwel diens afnemer de door hem (aan de koper) verschuldigde koopprijs voldoet.
Men kan de contractuele verlening van beschikkingsbevoegdheid beschouwen als het spiegelbeeld van art. 3:110 BW, dat de directe verkrijging regelt. Zie bijv. Snijders & Rank-Berenschot 2012, nr. 442. Terecht merkt Bartels 2004, p. 59-60 op dat bij directe vervreemding bezit en houderschap geen probleem vormen, zodat art. 3:110 BW slechts steun biedt voor het resultaat en niet de constructie kan verklaren. Terwijl art. 3:110 BW nodig is om een bezitskwestie op te lossen teneinde directe verkrijging mogelijk te maken, ligt het voor de hand het omgekeerde a fortiori te aanvaarden, aangezien daar geen moeilijkheden rond het bezit aan de orde zijn. Zie ook T.M., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 382 over de commissionair die als houder rechtstreeks het bezit kan verschaffen aan een derde. Daaruit kan worden afgeleid dat Meijers het voor mogelijk hield dat een commissionair rechtstreeks aan een derde de eigendom kan overdragen, zonder dat daarvoor nodig is dat de commissionair eerst eigenaar en bezitter wordt.
In de constructie van de alternatieve opschortende voorwaarde verkrijgt de koper de eigendom niet alleen door voldoening van de verschuldigde tegenprestatie, maar evenzeer – bij wijze van alternatief – als de koper overgaat tot vervreemding in de normale bedrijfsuitoefening. In deze benadering behoeft het geen verklaring hoe het kan dat de koper in staat is de eigendom aan de afnemer te verschaffen. De afnemer verkrijgt namelijk zonder meer van de koper als beschikkingsbevoegde, omdat de koper eigenaar is geworden van de zaak. Op het moment dat de koper bevoegdelijk beschikt over de zaak, treedt de alternatieve opschortende voorwaarde in vervulling en wordt de koper op dat moment voor een juridische seconde eigenaar van de zaak, die op hetzelfde ondeelbare moment het vermogen van de koper weer verlaat. Afgezien van het gekunstelde karakter van deze constructie, acht ik haar om een aantal redenen niet overtuigend.
In de eerste plaats heeft zij te kampen met een oorzakelijk probleem. De koper wordt eigenaar op het moment dat hij de verkochte zaak in de normale bedrijfsuitoefening vervreemdt aan de afnemer, maar hij kan de zaak pas (op de voet van artikel 3:84 BW) overdragen aan de afnemer als hij eigenaar is geworden. De eigendomsoverdracht aan de afnemer is aldus afhankelijk van het verkrijgen van de onvoorwaardelijke eigendom, terwijl de verkrijging van de onvoorwaardelijke eigendom afhankelijk is gesteld van de eigendomsoverdracht in de normale bedrijfsuitoefening.1 Dit probleem wordt door de aanhangers van deze constructie gesignaleerd en ondervangen met een beroep op een samenval van rechtsmomenten, zoals dat concept is uitgewerkt door Eggens.2 Hij keert zich tegen de gedachte ‘dat rechtshandelingen, die juridisch tot elkander betrokken gedacht worden in de verhouding van oorzaak tot gevolg, noodzakelijkerwijze in tijd op elkander volgend moeten voorvallen: eerst de oorzaak – daarna het gevolg.’3 Een dergelijke volgorde is volgens hem geenszins noodzakelijk:
‘Het valt intusschen gemakkelijk in te zien, dat datgene, wat als het logisch-eerdere van iets anders gedacht wordt, daarom nog niet in tijd aan dat andere behoeft vooraf te gaan, en dat in één moment meerdere rechtshandelingen (ook die welke als oorzaak en gevolg tot elkander betrokken worden) kunnen samenvallen, of – anders gezegd – dat in eene rechtshandeling meerdere momenten kunnen samenvallen, d.w.z. dat dan in één moment geschiedt wat anders (en gewoonlijk) op na elkaar vallende tijdstippen wordt verricht.’4
Het komt mij voor dat in de constructie van de alternatieve opschortende voorwaarde al te eenvoudig wordt teruggegrepen op dit samenval van rechtsmomenten. Eggens’ betoog heeft betrekking op de situatie dat datgene, wat gewoonlijk na iets anders geschiedt – omdat het eerdere voorwaarde is voor het latere – niet noodzakelijkerwijze ook na het eerdere hoeft te geschieden, maar ook gelijktijdig met dat eerdere kan plaatsvinden. Voor de hier aan de orde zijnde constructie biedt zij evenwel geen uitkomst. Eggens heeft het over de situatie dat de totstandkoming van tweede rechtshandeling afhankelijk is van de eerdere totstandkoming van de eerdere rechtshandeling. In een dergelijk geval kan, zo betoogt Eggens, ook worden aangenomen dat voldoende is dat beide rechtshandelingen op hetzelfde moment tot stand kunnen komen. In het onderhavige geval is niet enkel de tweede handeling – de overdracht aan de afnemer – afhankelijk van de eerdere – de eigendomsverkrijging door de koper –, maar is tevens de eerste handeling afhankelijk van de latere. Het samenval van rechtsmomenten voorziet niet in een oplossing voor het geval dat de beide rechtsgevolgen wederzijds afhankelijk zijn. Deze hobbel kan wel worden genomen wanneer niet zozeer de vervreemding door de koper als alternatieve voorwaarde wordt beschouwd, maar de directe aanzet tot die vervreemding.5 Gaat de koper over tot verkoop in de normale bedrijfsuitoefening, dan lokt die verkoop reeds de vervulling van de opschortende voorwaarde uit, als gevolg waarvan de koper eigenaar wordt en de zaak ook kan overdragen. Het oorzakelijkheidsprobleem is daarmee weggenomen, maar daardoor wordt tevens het risico vergroot dat de zaak blijft steken in het vermogen van de koper, omdat hij niet slechts voor een juridische seconde eigenaar wordt, maar voor een langere tijdspanne.6
Daarmee is het tweede bezwaar tegen deze constructie gegeven. Met de verlening van de bevoegdheid aan de koper beogen partijen in het algemeen niet dat de koper eigenaar wordt van de zaak, maar beogen partijen simpelweg duidelijk te maken dat de koper de zaak kan en mag overdragen aan zijn afnemers.7 De partijbedoeling is daarmee gericht op eigendomsverkrijging door de afnemer en niet door de koper. Doordat de zaak door meerdere vermogens loopt, wordt het risico vergroot op complicaties door eventuele beperkingen van de beschikkingsbevoegdheid van de koper. Hierdoor strookt deze constructie niet met het belang van de verkoper en de reden voor de verlening van de vervreemdingsbevoegdheid. De verkoper is bereid zijn voorbehouden eigendomsrecht prijs te geven, indien de koper de zaak aan een afnemer overdraagt, omdat de koper daarvoor een tegenprestatie verkrijgt, waarmee hij de verkoper kan afbetalen. Indien reeds de verkoop aan een afnemer eigendomsverlies van de verkoper teweeg brengt, is denkbaar dat het niet eens tot een (definitieve) vervreemding komt aan de afnemer, terwijl de verkoper zijn eigendomsrecht reeds voordien heeft verloren doordat de koper eigenaar is geworden. Bovendien volgt ook niet uit de verwachtingen van de afnemer dat hij de zaak uit het vermogen van de koper overgedragen krijgt.8 In het algemeen zal het hem onverschillig zijn wie hem de zaak overdraagt, zolang hij maar eigenaar wordt.
Een derde bezwaar tegen deze constructie is dat het uit een oogpunt van een consistente interne systematiek van het recht niet goed valt in te zien waarom bij middellijke vertegenwoordiging algemeen wordt uitgegaan van een machtigingsconstructie, maar in het vergelijkbare geval van de vervreemding van onder eigendomsvoorbehoud overgedragen zaken door de koper een andere constructie aangewezen zou zijn. Dit lijkt een gevolg te zijn van het feit dat volgens deze auteurs bij het eigendomsvoorbehoud moeilijkheden zouden bestaan bij de toepassing van de machtigingsconstructie. Hierna zal blijken dat deze problemen in werkelijkheid grotendeels niet aanwezig zijn. Ook vanuit rechtsvergelijkend opzicht wijkt het Nederlandse recht af met de constructie door middel van een alternatieve opschortende voorwaarde.9 Zowel het Duitse als het Oostenrijkse recht construeren de vervreemdingsbevoegdheid ook bij een eigendomsvoorbehoud aan de hand van de mogelijkheid om een ander contractueel beschikkingsbevoegdheid te verlenen.