Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/8.12.2
8.12.2 Contractuele verlening van beschikkingsbevoegdheid
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS397339:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Peter 2007, p. 161 en A-G Rank-Berenschot in punt 2.23 van haar conclusie voor HR 3 juni 2016, NJ 2016, 290 m.nt. F.M.J. Verstijlen (Rabobank/Reuser). Vgl. ook de bezwaren van Mezas 1985, p. 58 en Reehuis 1987, p. 86 tegen de vertegenwoordigingsconstructie. Zie ook Krzemi/ski 2013, p. 300, die enerzijds opmerkt dat hij zich ‘geen situatie voorstellen waarbij een rechthebbende aan een ander de bevoegdheid verleent om in eigen naam en voor eigen rekening zijn goed te vervreemden’, maar anderzijds bij bezwaring geen problemen ziet omdat het ‘een rechthebbende op grond van zijn autonomie vrij[staat] te bepalen voor wiens rekening hij zijn recht inzet.’
Groefsema 1993, p. 23. Vgl. ook Nieuwenhuis 1980, p. 61-63.
Mezas 1985, p. 58 en Peter 2007, p. 161-162.
Vgl. ook Schuijling 2017, p. 24 die echter lijkt uit te gaan van twee separate beschikkingen over de beide voorwaardelijke eigendomsrechten.
Zo is naar Duits recht algemeen aanvaard dat verkoper en koper gezamenlijk een overdracht van de zaak kunnen bewerkstelligen. Zie voor een voorbeeld BGH 10 oktober 1984, NJW 1985, 376. Wanneer een dergelijke beschikking geschiedt door de verkoper wordt dit veelal verklaard doordat de koper de verkoper kan machtigen om een beschikking tot stand te brengen zonder de beperkingen van § 161 BGB, omdat deze beperkingen slechts plaatsgrijpen ten gunste van de koper. Zie Serick 1963, p. 444, voetnoot 104, Staudinger/Bork 2015, § 161 BGB, Rn. 13 en MünchKomm-BGB/Westermann 2015, § 161 BGB, Rn. 7. In het verlengde daarvan wordt een overdracht van de zaak ook wel beschouwd als het prijsgeven van de bescherming van de voorwaardelijke beschikking door de koper, dus in feite een afstand van het Anwartschaftsrecht. Zie daarvoor bijv. Wieling 2006, p. 813 en Bülow 2012, p. 254-255.
Vgl. Krzemi/ski 2013, p. 300-306 (m.b.t. de herverpandingsbevoegdheid als contractuele machtiging) en p. 329-333 (m.b.t. de rangwisseling door herverpanding), die op p. 331 ook spreekt van een samengestelde bevoegdheid, maar dat moeilijk te verklaren acht. Wanneer men bedenkt dat de herverpandingsbevoegdheid is samengesteld uit de van de eigenaar afgeleide beschikkingsbevoegdheid ten aanzien van de zaak– waardoor een pandrecht kan worden gevestigd – en de bevoegdheid tot rangwisseling, die volgt uit het pandrecht zelf (waarvan de rang immers onderdeel uitmaakt), vloeit de mogelijkheid tot herverpanding voort uit het samenstel van de machtiging en de hoedanigheid van rechthebbende van het pandrecht.
. De vruchtgebruiker is daarentegen niet bevoegd over de in
M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 4 BW, p. 812-813.
Bartels 2014, p. 152, voetnoot 14. Zie ook Reehuis 2013, nr. 71, die dit ook in de machtigingsconstructie mogelijk lijkt te achten, maar niet verklaart op welke wijze dit geconstrueerd kan worden.
Mezas 1985, p. 66 en Brahn 1992a, p. 53.
Vgl. Serick 1963, p. 431 en Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 635.
Serick 1963, p. 432.
Zo echter Mezas 1985, p. 65.
Mayhofer 1969, p. 297, Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 635, Rummel/Aicher 2000, § 1063 ABGB, Rn. 101, Soergel/Henssler 2002, Anh zu § 929 BGB, Rn. 105, Bülow 2012, p. 562-563, Staudinger/ Beckmann 2014, § 449 BGB, Rn. 157, Schwimann & Kodek/Spitzer 2014, § 1063 ABGB, Rn. 66 en MünchKomm-BGB/Westermann 2016, § 449 BGB, Rn. 89. Zie uit de rechtspraak BGH 24 maart 1971, NJW 1971, 1038.
Reehuis 2013, nr. 71. Zie ook Brahn 1984, p. 56-57 (zij het uitsluitend met betrekking tot de bezitsvraag).
Anders: Vriesendorp 1985a, p. 100-101, die ervan uitgaat dat de koper het eigendomsvoorbehoud slechts voor de verkoper zou bedingen en het eigendomsvoorbehoud niet zou kunnen uitoefenen omdat hij nog geen eigenaar is. Zie echter hiervoor in paragraaf 8.6.1 over de revindicatie van de voorwaardelijk eigenaar.
Mayrhofer 1969b, p. 297 en Bülow 2012, p. 445. Zie voorts paragraaf 8.9.5 over het gebruiksrecht van de koper gedurende de periode van onzekerheid.
Anders: Vriesendorp 1985a, p. 101, waaruit blijkt dat hij niet zozeer uitgaat van een nieuw, zelfstandig eigendomsvoorbehoud, maar een voortzetting van het eigendomsvoorbehoud van de verkoper. Er is derhalve sprake van een zgn. weitergeleiteter Eigentumsvorbehalt, hetgeen per saldo niet veel anders is dan de overdracht van het voorwaardelijk eigendomsrecht (Zie Klang/Bydlinski 1978, § 1063 ABGB, p. 634) of een overdracht van de zaak met instemming van de verkoper waaraan een dubbele voorwaarde wordt verbonden. Vgl. Staudinger/Beckmann 2014, § 449 BGB, Rn. 156.
Zie treffend Frotz 1970, p. 182: ‘Hier behält sich der Vorbehaltskäufer bei einem Kreditverkauf seinerseits das (ihm freilich noch gar nicht zustehende) Eigentum an der Sache (…) vor.’ Zo ook Bollenberger 1995b, p. 641 en Rummel/Aicher 2000, § 1063 ABGB, Rn. 101.
Per saldo leidt de tweede voorwaardelijke overdracht derhalve tot een inhoudelijke wijziging van de aan de verkoper en koper toebehorende voorwaardelijke eigendomsrechten. Zie over de inhoudelijke modificatie van voorwaardelijk eigendomsrechten hiervoor in paragraaf 8.9.6. Tot die wijziging is de koper bevoegd, omdat hij voor de wijziging van het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde de bevoegdheidkan ontlenen aan de machtiging en voor de wijziging van het eigendomsrecht onder opschortende voor-waarde aan het feit dat hij daarvan rechthebbende is. Zodoende kan de koper bewerkstelligen dat de voorwaardelijke overdracht aan de afnemer aan de voorwaardelijke overdracht aan hemzelf wordt voorgerangeerd. In zekere zin vindt daarmee een soort rangwisseling plaats tussen de verschillende voorwaardelijke overdrachten. Vgl. Schoordijk 1978, p. 424 en Rongen 2014, p. 311.
Mezas 1985, p. 58, Vriesendorp 1985a, p. 97, Reehuis 1987, p. 87 en Van Mierlo 1988, p. 73.
Zie voor dit afgeleide karakter hiervoor in voetnoot 518. Anders: Nieuwenhuis 1980, p. 62 die opmerkt dat dit niet nodig is omdat het vereiste van beschikkingsbevoegdheid er slechts toe strekt ‘dat iemand tegen zijn wil een recht verliest doordat een ander dat zonder toestemming aan een derde overdraagt.’ In geval van faillissement spelen echter ook andere aspecten een rol, zoals het hierna in de hoofdtekst te spreken fixatiebeginsel. Vgl. Struycken 2007, p. 582, voetnoot 292.
Groefsema 1993, p. 32 en p. 67 en Krzemi/ski 2013, p. 203 en p. 303.
M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 293.
Vgl. Verstijlen 1998, p. 44 en p. 60.
Vgl. Nieuwenhuis 1980, p. 59-60 ten aanzien van de ontwikkeling van de executiebevoegdheid van de pand- en hypotheekhouder. Ook bij de beschikkingsbevoegdheid van de vruchtgebruiker tendeert een deel van de literatuur ernaar deze niet meer enkel te beschouwen als afgeleid, maar als onderdeel van het recht zelf, waardoor zij in faillissement van de hoofdgerechtigde zou standhouden. Zie M.v.T., Parl. Gesch. Boek 4 BW (Inv.), p. 1292, E.I. Kortlang, ‘De betekenis van vruchtgebruik met intering voor de notariële praktijk’,WPNR 1993 (6080), p. 119, M.J.A. van Mourik, ‘De beschikkingsbevoegdheid van de vruchtgebruiker bij faillissement en (schuld)sanering van de hoofdgerechtigde’, WPNR 2001 (6466), p. 988 en Asser/Bartels & Van Velten 5 2017, nr. 288. Anders: E.B. Berenschot, ‘Enige aspecten van de plaats van het vruchtgebruik in het vermogensrechtelijk systeem’, WPNR 1985 (5730), p.177 en Van Gaalen 2001, p. 125-126. Bij de bevoegdheid tot herverpanding wordt in de literatuur daarentegen algemeen aangenomen dat deze niet standhoudt in faillissement van de pandgever, ook door degenen die deze bevoegdheid als onderdeel van het goederenrechtelijk recht zelf beschouwen. Zie J.J. van Hees, ‘Gedachten over herverpanding’, in: J.C. van Apeldoorn e.a. (red.), Onzekere zekerheid (Insolad Jaarboek 2001), Deventer: Kluwer 2001, p. 234 (die op p. 230 aanneemt dat de herverpandingbevoegdheid onderdeel gaat uitmaken van het pandrecht zelf), N.E.D. Faber & N.S.G.J. Vermunt, ‘Het verleggen van grenzen bij het bepalen van de rangorde van rechten van pand of hypotheek’, in: N.E.D. Faber e.a. (red.), Bancaire zekerheid (Liber amicorum Mr. J.H.S.G.K. Timmermans), Deventer: Kluwer 2010, p. 177 (die op p. 175 en p. 177 opmerken dat de herverpandingsbevoegheid deel uitmaakt van het pandrecht zelf) en Krzemi/ski 2013, p. 203-203 en p. 303 (die op p. 107, voetnoot 347 opmerkt dat de herverpandingsbevoegdheid een ‘separaat aan de pandhouder toegekende bevoegdheid’ is, die geen onderdeel uitmaakt van het pandrecht). Vgl. ook Groefsema 1993, p. 157, voetnoot 12 die spreekt van een combinatie van machtiging en beschikkingsbevoegdheid krachtens de wet.
Serick 1982, p. 350-358 (die weliswaar oordeelt dat de machtiging vervalt, maar dat baseert op het ontbreken van een bepaling als § 107 InsO), Staudinger/Gursky 2014, § 185 BGB, Rn. 40, MünchKomm-BGB/ Bayreuther 2015, § 183 BGB, Rn. 7, BeckOGK/Regenfus 2016, § 183 BGB, Rn. 40 en Bamberger & Roth/ Bub 2016, § 185 BGB, Rn. 9. Anders (zij het zonder in discussie te treden met de andere opvatting): Jaeger/ Jacoby 2014, § 107 InsO, Rn. 47 en Mitlehner 2016, p. 55.
Zie in die richting Van Vliet 2002, p. 65.
Overtuigender is dan ook de opvatting waarin de bevoegdheid van de koper om de zaak te vervreemden in de normale bedrijfsuitoefening voortvloeit uit het feit dat de verkoper de koper contractueel de bevoegdheid verleent om de zaak in normale bedrijfsuitoefening over te dragen. De koper beschikt dan als beschikkingsbevoegde over de zaak, maar wordt in deze constructie zelf geen eigenaar van de verkochte zaak. De zaak gaat rechtstreeks over uit het vermogen van de verkoper in het vermogen van de afnemer van de koper.1
Zoals hiervoor al aan de orde kwam, is algemeen aanvaard dat een ander dan de rechthebbende de bevoegdheid kan hebben om over een zaak te beschikken en is eveneens algemeen geaccepteerd dat de rechthebbende deze bevoegdheid contractueel aan de ander kan verlenen. De gemachtigde leidt zijn beschikkingsbevoegdheid dan af van de rechthebbende, zodat de beschikkingsbevoegdheid van de gemachtigde die wordt gebaseerd op de machtiging niet verder kan strekken dan de beschikkingsbevoegdheid van de rechthebbende zelf. Er is sprake van afgeleide of secundaire beschikkingsbevoegdheid.2 De machtiging laat de beschikkingsbevoegdheid van de rechthebbende in beginsel bovendien onverlet.3 De machtiging heeft slechts tot gevolg dat de gemachtigde ook de bevoegdheid heeft om over de zaak te beschikken. Door de heersende leer wordt echter betoogd dat de machtigingsconstructie minder goed zou passen bij de vervreemdingsbevoegdheid van de koper onder eigendomsvoorbehoud. Daarvoor wordt een viertal argumenten aangedragen.
In de eerste plaats wordt problematisch geacht dat de koper, anders dan de middellijk vertegenwoordiger, niet alleen in eigen naam handelt bij de vervreemding van de zaak, maar tevens voor eigen rekening.4 Daarbij lijkt ervan uit te worden gegaan dat de machtiging in zekere zin een vorm van vertegenwoordiging is, waardoor de constructie niet toegepast kan worden als de gemachtigde zowel voor eigen rekening alsook voor eigen risico handelt. Dit argument komt mij niet overtuigend voor. Bij de contractuele verlening van beschikkingsbevoegdheid is geen sprake van vertegenwoordiging, maar van machtiging. De rechthebbende machtigt een ander om over de zaak te beschikken, zonder dat daarvoor noodzakelijk is dat de gemachtigde handelt voor rekening van de rechthebbende. Wanneer men eenmaal aanvaardt dat het mogelijk is dat een rechthebbende een ander de bevoegdheid kan verlenen om over een zaak te beschikken, valt niet goed in te zien waarom de mogelijkheid daarvan beperkt zou moeten blijven tot gevallen waarin de zaak voor rekening en risico van de rechthebbende wordt vervreemd. De mogelijkheid om als rechthebbende een ander te machtigen om bevoegdelijk over een aan hem toebehorende zaak te beschikken, berust namelijk op de autonomie van de rechthebbende.5 Aangezien de rechthebbende eigenaar is van de zaak, kan hij zelf het lot van de zaak bepalen. Niet goed valt in te zien waarom de rechthebbende wel in staat zou zijn om de zaak te vernietigen, aan een ander te schenken, maar niet een ander de bevoegdheid zou kunnen verlenen om voor eigen rekening over de zaak te beschikken. Het moet dan ook aan de autonomie van de eigenaar worden overgelaten om te bepalen dat een ander over de aan hem toebehorende zaak kan beschikken, waarbij onverschillig is voor wiens rekening en risico de beschikking plaatsvindt.
Een tweede reden waarom de machtigingsconstructie niet goed zou zijn toe te passen bij de vervreemding door de koper onder eigendomsvoorbehoud, is dat de verkoper, anders dan de middellijk vertegenwoordigde, geen onvoorwaardelijk eigenaar meer is van de verkochte zaak.6 Als gevolg van de voorwaardelijke overdracht aan de koper, is de verkoper nog slechts eigenaar onder ontbindende voorwaarde en is zijn beschikkingsbevoegdheid ook dienovereenkomstig beperkt. Aangezien de beschikkingsbevoegdheid van de koper wordt afgeleid van die van de verkoper, zou de verkoper de koper dus slechts kunnen machtigen om te beschikken over het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde. In feite gaat het hierbij om de vraag wat er gebeurt met het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde, als de koper de zaak vervreemdt in de normale bedrijfsuitoefening. Het eigendomsrecht van de verkoper en daarmee zijn beschikkingsbevoegdheid is namelijk beperkt omdat een deel van het eigendomsrecht is afgesplitst ten gunste van de koper. Als gevolg van de splitsing van het eigendomsrecht in twee voorwaardelijke eigendomsrechten is ook de beschikkingsbevoegdheid gesplitst: de verkoper is bevoegd te beschikken over het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde en de koper is bevoegd te beschikken over het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde. De beperking van de beschikkingsbevoegdheid van de verkoper door de voorwaardelijke overdracht aan de koper vormt daarmee in het geheel geen bezwaar tegen de machtigingsconstructie, nu de beperking van de beschikkingsbevoegdheid correspondeert met een aan de koper toekomende beschikkingsbevoegdheid over het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde. Samen hebben zij de beschikkingsbevoegdheid over de zaak. Gezamenlijk kunnen zij aldus een beschikking treffen over de (onvoorwaardelijke eigendom van de) zaak.7
Er is aldus sprake van een samengestelde beschikkingsbevoegdheid. Samen kunnen de verschillende gerechtigden bewerkstelligen wat zij afzonderlijk niet kunnen.8 Een dergelijke samengestelde beschikkingsbevoegdheid is geen bijzonderheid die enkel optreedt bij het eigendomsvoorbehoud. Zij komt veel vaker voor in het Nederlandse recht. Zo kan de eigenaar die een pandrecht heeft gevestigd op een aan hem toebehorende zaak, vervolgens geen eersterangs pandrecht meer vestigen. Hij is nog slechts beschikkingsbevoegd over de met het pandrecht bezwaarde zaak. De (eerste) pandhouder kan daarentegen geen pandrecht vestigen op de aan hem verpande zaak, aangezien deze hem niet toebehoort. Gezamenlijk kunnen zij echter bewerkstelligen dat zij een eersterangs pandrecht vestigen op de zaak door de figuur van herverpanding (art. 3:242 BW).9 Samen kunnen de pandhouder en pandgever wat zij afzonderlijk niet zouden kunnen. Vergelijkbaars geldt voor in vruchtgebruik gegeven zaken. Na de vestiging van het recht van vruchtgebruik is de eigenaar niet meer bevoegd de zaak onbezwaard te vervreemden. De vruchtgebruiker is daarentegen niet bevoegd over de in vruchtgebruik gegeven zaak te beschikken. Gezamenlijk kunnen de vruchtgebruiker en de hoofdgerechtigde de zaak echter wel vervreemden, hetgeen in de praktijk met name geschiedt doordat de hoofdgerechtigde machtigt om over de zaak te beschikken (art. 3:212 lid 2 BW). De beschikkingsbevoegdheid is dan samengesteld uit de machtiging van de hoofdgerechtigde en de aan de vruchtgebruiker zelfstandig toekomende beschikkingsbevoegdheid. Soortgelijks geldt in geval van een voorwaardelijke making. Degene aan wie het vermaakte tot de vervulling van de opschortende voorwaarde toekomt, kan slechts beschikken over het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde. Met instemming van de eigenaar onder opschortende voorwaarde kan hij evenwel beschikken over (de onvoorwaardelijke eigendom van) de zaak zelf.10 Niets anders geldt voor de vervreemdingsbevoegdheid bij het eigendomsvoorbehoud. Vanwege de samengestelde beschikkingsbevoegdheid van verkoper en koper vormt de omstandigheid dat de verkoper nog slechts beperkt beschikkingsbevoegd is, geen obstakel voor de machtigingsconstructie.
Een derde bezwaar tegen de machtigingsconstructie zou zijn gelegen in het feit dat de koper ook de mogelijkheid moet hebben om als wederverkoper zelf een eigendomsvoorbehoud te bedingen.11 De gedachte is kennelijk dat de koper deze mogelijkheid enkel zou kunnen hebben in de constructie met de alternatieve opschortende voorwaarde, omdat de koper pas een eigendomsrecht zou kunnen voorbehouden, indien hij ook eigenaar is geworden.12 Naar mijn mening is dat echter geenszins noodzakelijk en leidt die constructie bovendien tot ongewenste resultaten in het geval dat de tweede overdracht niet leidt tot eigendomsverkrijging door de afnemer, bijvoorbeeld omdat laatstgenoemde in gebreke blijft met de voldoening van de verschuldigde prestatie of de koopovereenkomst om andere redenen wordt ontbonden. In de constructie met de alternatieve opschortende voorwaarde zou de koper dan door uitoefening van het eigendomsvoorbehoud eigenaar blijven en hoogstens verplicht zijn de zaak terug over te dragen aan de verkoper. Het komt mij hoogst onwaarschijnlijk voor dat partijen daadwerkelijk voor ogen hebben dat de koper eigenaar wordt van de verkochte zaak in het kader van de niet-definitieve vervreemding aan zijn afnemer.13 Dat ligt met name niet voor de hand in het geval dat de verkoper de koper de verplichting heeft opgelegd om een eigendomsvoorbehoud te bedingen, als de afnemer niet direct betaalt. Met een dergelijke clausulering van de vervreemdingsbevoegdheid geeft de verkoper te kennen dat hij enerzijds weliswaar bereid is om zijn voorbehouden eigendomsrecht prijs te geven, maar anderzijds zijn eigendomsrecht zo lang mogelijk wil voorbehouden.14 Hij wenst zijn eigendomsrecht pas te verliezen als de afnemer ook daadwerkelijk eigenaar wordt. Daarmee strookt het niet dat de verkoper zijn eigendomsrecht al zou verliezen op het moment dat de koper een eigendomsvoorbehoud bedingt, zonder dat het erop aankomt of de afnemer ook daadwerkelijk eigenaar wordt.15 Het stemt meer overeen met de betrokken belangen dat uit een dergelijke afspraak moet worden afgeleid dat de afnemer eigenaar wordt indien hij de prestatie voldoet die hij verschuldigd is aan de koper, maar dat de eigendomsverhoudingen voor het overige – dus indien de afnemer de verschuldigde prestatie niet voldoet – afhankelijk blijven van de vervulling van de voorwaarde in verhouding tussen verkoper en koper.
Ook op dit punt is de constructie van de contractuele verlening van beschikkingsbevoegdheid derhalve verkieslijk. In deze constructie wordt de afnemer eigenaar van de zaak, indien hij de door hem verschuldigde prestatie voldoet aan de koper, onverschillig of de koper de door hem verschuldigde prestatie reeds aan de verkoper heeft voldaan.16 Tot dat moment blijft de verkoper vooralsnog voorwaardelijk eigenaar.17 De verkoper verliest zijn voorbehouden eigendomsrecht derhalve ofwel als de koper de verschuldigde prestatie voldoet waarvan zijn eigendomsverkrijging afhankelijk was of als de afnemer de door hem aan de koper verschuldigde prestatie voldoet.18 Indien de afnemer in gebreke met de voldoening van de verschuldigde prestatie, dan kan de koper het door hemzelf bedongen eigendomsvoorbehoud uitoefenen.19 Blijft daarentegen de koper in gebreke met de voldoening van de door hem verschuldigde prestatie, kan de verkoper overgaan tot ontbinding van de koopovereenkomst, maar kan hij de zaak (vooralsnog) niet opvorderen van de afnemer, nu de koper de zaak met instemming van de verkoper voorwaardelijk heeft overgedragen aan de afnemer.20
Als de koper ook een eigendomsvoorbehoud bedingt, worden derhalve twee eigendomsvoorbehouden aaneengeregen.21 Als gevolg van dit tweede, aaneengeschakelde eigendomsvoorbehoud (nachgeschalteter Eigentumsvorbehalt) hebben met betrekking tot dezelfde zaak twee voorwaardelijke overdrachten plaatsgevonden, waarbij evenwel bedacht moet worden dat de verschillende voorwaarden ook een verschillende inhoud hebben en een alternatief karakter hebben.22 Dat de koper in staat is om een eigendomsvoorbehoud te bedingen ten aanzien van de zaak, waarvan hij nog geen eigenaar is,23 volgt uit de omstandigheid dat hij als gevolg van de samengestelde beschikkingsbevoegdheid – bestaande uit de machtiging van de verkoper en de beschikkingsbevoegdheid over het eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde – bevoegd is om over de zaak te beschikken.24
Als gevolg van het tweede eigendomsvoorbehoud krijgt het eigendomsvoorbehoud in de relatie tussen de verkoper en de koper een subsidiair karakter. Enkel indien de afnemer de verschuldigde prestatie niet voldoet, is voor het eigendomsvoorbehoud tussen verkoper en koper nog een rol weggelegd. Als de afnemer namelijk de verschuldigde prestatie voldoet, dan wordt hij onvoorwaardelijk eigenaar van de zaak en kan de eerste voorwaardelijke overdracht niet meer tot gevolg hebben dat de koper eigenaar wordt. Zo bezien heeft het tweede eigendomsvoorbehoud voorrang boven het eerste eigendomsvoorbehoud, hetgeen gerechtvaardigd wordt door de omstandigheid dat de verkoper heeft ingestemd met de vervreemding door de koper en de koper heeft ingestemd met het feit dat hij door betaling geen eigenaar meer wordt, door de zaak aan een afnemer te vervreemden. Geconcludeerd kan derhalve worden dat de machtigingsconstructie niet in de weg staat aan het bedingen van een eigendomsvoorbehoud in de relatie tussen de koper en diens afnemers. Integendeel, door middel van de machtigingsconstructie wordt meer aan de betrokken belangen recht gedaan, omdat de verkoper zijn eigendomsrecht pas verliest als de afnemer ook daadwerkelijk eigenaar wordt.
Een vierde bezwaar tegen de machtigingsconstructie is gelegen in de omstandigheid dat de machtiging komt te vervallen door het faillissement van de verkoper.25 Deze consequentie lijkt onontkoombaar, omdat zij noodzakelijkerwijs volgt uit het feit dat de beschikkingsbevoegdheid van de koper in de machtigingsconstructie is afgeleid van die van de verkoper.26 Wanneer het faillissement de verkoper diens beschikkingsbevoegdheid ontneemt (art. 23 Fw), heeft dat eveneens tot gevolg dat de koper zijn afgeleide beschikkingsbevoegdheid verliest. In de literatuur wordt dit gevolg soms ook gebaseerd op het eindigen van een volmacht in geval van faillissement van de volmachtgever (art. 3:72 BW).27 Hoewel volmacht en machtiging juist van elkaar verschillen met betrekking tot de vraag in wiens naam wordt gehandeld en in zoverre betwijfeld kan worden of analoge toepassing van de regels voor volmacht altijd aangewezen is, pleit in dit geval voor de analogie dat de reden voor het eindigen van de volmacht in het algemeen ook opgeld doet voor de machtigingsconstructie. Aan die regel ligt namelijk ten grondslag dat voorkomen moet worden dat de strekking van het faillissementsbeslag zou worden doorkruist door reeds voor faillissement verleende volmachten.28 Het faillissement ontneemt de zeggenschap over de failliete boedel aan de schuldenaar en legt deze in handen van de curator, waarmee wordt gewaarborgd dat de boedel wordt aangewend voor het doel van het faillissement.29 Vergelijkbaars geldt voor de contractuele verlening van beschikkingsbevoegdheid. Als deze machtiging het uitspreken van het faillissement zou overleven, zou het doel van het faillissement kunnen worden doorkruist door beschikkingshandelingen van een gemachtigde. Als gevolg daarvan zou de failliet in staat zijn om over zijn graf te regeren, waardoor de fixatie van de boedel ten behoeve van de voldoening van de schuldeisers in gevaar zou kunnen komen. Het eindigen van volmachten en machtigingen door het uitspreken van het faillissement bewerkstelligt aldus dat het beheer en de vereffening van de boedel daadwerkelijk volledig aan de curator is toevertrouwd.
Voor de machtiging van de koper in het kader van een eigendomsvoorbehoud kunnen echter vraagtekens worden geplaatst bij deze ratio van het eindigen van de machtiging als gevolg van het faillissement van de verkoper. Ten aanzien van de verkochte zaak is immers reeds voor faillissement een geldige, aan de boedel tegenwerpbare voorwaardelijke beschikking tot stand gekomen. Als gevolg van deze voorwaardelijk beschikking is de zaak reeds bezig rechtsgeldig onder het faillissementsbeslag uit te geraken, terwijl de curator de koopovereenkomst, waarop deze voorwaardelijke overdracht is gebaseerd, bovendien moet respecteren. Het belang van de boedel bij het eigendomsrecht onder ontbindende voorwaarde is voor de vereffening van de boedel dus gering. Bij de normale loop der dingen is de zaak niet meer beschikbaar voor vereffening ten behoeve van het verhaal door de schuldeisers van de verkoper. Weliswaar ontstaat door de vervreemding door de koper het risico dat de boedel enerzijds het voorbehouden eigendomsrecht verliest en anderzijds niet de verschuldigde prestatie voldaan krijgt, maar dat risico is inherent aan het verlenen van een vervreemdingsbevoegdheid, terwijl dat risico bovendien niet wordt vergroot door het faillissement van de verkoper. Wanneer bovendien bedacht wordt dat de koper slechts bevoegd is de zaak te vervreemden in diens normale bedrijfsuitoefening, hetgeen een zekere mate van solvabiliteit van de koper veronderstelt, komen de belangen van de boedel en de schuldeisers van de verkoper enkel in het gedrang in de situatie dat een op zich solvente koper de zaak vervreemdt in de normale bedrijfsuitoefening, daarvoor een tegenprestatie ontvangt, vervolgens nalaat de verschuldigde prestatie aan de verkoper te voldoen en bovendien zelf in betalingsmoeilijkheden geraakt. Betwijfeld kan worden of het voortduren van de machtiging in faillissement inderdaad categorisch moet worden verworpen teneinde aan dat geringe risico tegemoet te komen. Als gevolg hiervan ontstaat bovendien een tamelijk willekeurig onderscheid tussen een vervreemding door de koper kort vóór en kort nÁ het uitspreken van het faillissement van de verkoper, terwijl het faillissement van de verkoper op zichzelf geen invloed heeft op de kans dat de koper de verschuldigde prestatie voldoet.
Het is evenwel de vraag of vanwege bovengenoemde argumenten geconcludeerd kan worden dat de vervreemdingsbevoegdheid van de koper niet eindigt door faillissement van de verkoper. Noodzakelijk daarvoor zou zijn dat voor dit specifieke geval over het afgeleide karakter van de beschikkingsbevoegdheid wordt heengestapt.30 Het Duitse recht lijkt zich in die richting te ontwikkelen, maar kan zich daarbij beroepen op § 107 InsO, op grond waarvan een koopovereenkomst met een eigendomsvoorbehoud geen hinder of wijziging ondervindt als gevolg van het faillissement van de verkoper. Een deel van de Duitse literatuur leidt uit die bepaling af dat de curator de koopovereenkomst in volle omvang moet respecteren, inclusief de door de verkoper verleende machtiging tot vervreemding, waardoor de vervreemdingsbevoegdheid faillissementsbestendig is.31 Het komt mij voor dat een dergelijke uitzondering op het afgeleide karakter van de beschikkingsbevoegdheid van de koper ook naar Nederlands recht wenselijk is, gelet op het feit dat de zaak uiteindelijk toch niet voor de boedel behouden blijft. Betwijfeld kan echter worden of een zodanige uitzondering zonder wettelijk ingrijpen kan worden bewerkstelligd.32
Uit het voorgaande kan worden geconcludeerd dat ook bij de vervreemding van onder eigendomsvoorbehoud overgedragen zaken door de koper in zijn normale bedrijfsuitoefening sprake is van een contractuele verlening van de beschikkingsbevoegdheid door de verkoper. De daartegen aangevoerde bezwaren houden grotendeels geen stand, terwijl de constructie met een alternatieve opschortende voorwaarde minder goed aansluit bij de betrokken belangen. Problematisch blijft echter in de machtigingsconstructie dat de bevoegdheid van de koper noodzakelijkerwijs lijkt te vervallen indien de verkoper failliet wordt verklaard.