Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/5.5.3.3
5.5.3.3 Het toetsen van de rechtmatigheid van TCI-informatie
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Politierecht / Bevoegdheden
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dit verband ook Y. Buruma, ‘De rechtmatigheidsgetuige’, DD 2000, p. 859-874.
Hof ‘s-Hertogenbosch 24 mei 2012, LJN BW6502.
Dit is informanteninformatie die zo specifiek is dat die (naar alle waarschijnlijkheid) leidt tot het ontdekken van de identiteit van de informant en om die reden niet geschikt is voor operationeel gebruik en dus ook niet dient te wordt uitgegeven aan de tactische recherche. Voor een voorbeeld van 00-informatie kan worden gewezen op de situatie dat alleen de als informant gerunde echtgenote van een verdachte wetenschap heeft van de vindplaats van een vuurwapen in de echtelijke woning. Het uitgeven van deze informatie zal direct leiden tot het aan het licht komen van de identiteit van de informant.
Enkel kan worden genoemd het arrest van het Hof ‘s-Hertogenbosch van 9 mei 2008, LJN BD8152. In die zaak wordt een werknemer van de belastingdienst verdacht van fraude en zet de FIOD-ECD collega’s van de verdachte in om informatie door te geven over haar werkzaamheden. Het hof verwerpt het standpunt dat voor het inzetten van de belastingdienstmedewerkers een bevel ex art. 126v Sv benodigd is, nu de informatie die zij doorgaven aan de FIOD-ECD geen privacygevoelige informatie is.
Zie Y. Buruma, Geen blad voor de mond. Strafrechtspraak in Nederland, Amsterdam: Bakker 2011.
Hof ‘s-Hertogenbosch 23 december 2011, LJN BV0293.
Hoge Raad 2 februari 2010, NJ 2010, 246 m.nt. Sch.
HR 29 juni 2010, NJ 440.
Zoals beschreven wordt in het TCI-proces-verbaal de bron van de informatie, de informant, afgeschermd. Het door de informant verstrekken van informatie levert immers gevaar voor hem of derden op. Slechts bij het TCI, en bij de TCI-officier, is de identiteit van de informant bekend. De informatie van het TCI is dus afkomstig van een voor de verdediging en zittingsrechter anoniem gebleven bron en in het verlengde hiervan wordt ook de manier van informatievergaring door het TCI afgeschermd. Deze afscherming van informatie levert een voedingsbodem op voor door de verdediging te voeren rechtmatigheidsverweren, waarover aanstonds meer. Ter toetsing hiervan kan een zogenaamde rechtmatigheidsgetuige worden gehoord.1 Dit is een getuige die iets kan verklaren over de vraag of het TCI rechtmatig is opgetreden. Dit kan van belang zijn gelet op een mogelijk aan onrechtmatig handelen te verbinden strafprocessueel gevolg op grond van art. 359a Sv. Aan een dergelijke getuige worden echter ook wel vragen gesteld die zien op de betrouwbaarheid van de informant en de door hem verstrekte informatie. Het toetsen van de rechtmatigheid van de vergaring van informatie door het TCI is dus geregeld vervlochten met het toetsen van de betrouwbaarheid van de door dit politieonderdeel verstrekte informatie. Veelal wordt in dit verband het Hoofd TCI gehoord. Het komt echter ook voor dat de TCI-officier, de runners van het TCI of in zeer uitzonderlijke omstandigheden zelfs de informant wordt gehoord, althans dat daartoe door de verdediging een verzoek wordt gedaan. In een enkel geval wordt verzocht een teamleider van de tactische recherche te horen. De verdediging kan ter toetsing van de rechtmatigheid ook een verzoek doen tot inzage in interne stukken van het TCI.
Alvorens nader in te gaan op de wijze waarop de rechtmatigheid van het handelen van het TCI binnen het strafproces wordt getoetst, wordt ingegaan op de onrechtmatigheden die denkbaar zijn in de context van de informatievergaring door het TCI en worden voorts een viertal uitgangspunten geformuleerd in relatie tot het toetsen van de rechtmatigheid van het handelen van dit politieonderdeel. De typen onrechtmatigheden kunnen worden inge-deeld in het door het TCI handelen in strijd met interne regelgeving en onrechtmatigheden die zich in de context van art. 6 en art. 8 EVRM bevinden. Wat betreft het door het TCI handelen in strijd met interne regelgeving bestaat nauwelijks jurisprudentie. Genoemd kan worden het arrest van het Hof ‘s-Hertogenbosch van 24 mei 2012.2 In de aan dit arrest ten grondslag liggende casus is in strijd met interne regelgeving, en in die zin dus onrechtmatig, 00-informatie uitgegeven aan de tactische recherche.3 Het hof overweegt dat deze onrechtmatigheid geen vormverzuim in de zin van art. 359a Sv oplevert, nu deze interne regelgeving niet strekt ter bescherming van de verdachte, zodat deze hier ook geen rechten aan kan ontlenen. Het hof past in casu dus de Schutznorm toe om het verweer van de verdediging te verwerpen.
Zoals gesteld kan een tweede type onrechtmatigheid zich in de context van art. 8 EVRM bevinden. Gedoeld wordt op de situatie dat een informant op een dermate privacyschendende manier informatie vergaart dat, in gelet op art. 8 EVRM art. 3 Politiewet een onvoldoende wettelijke basis biedt voor het runnen van deze informant. Hier is sprake van indien de informant op een zodanige manier informatie verzamelt dat hierdoor een beeld wordt verkregen van (een deel van) het leven van de mogelijke verdachte. Het inzetten van een dergelijke stelselmatige informant behoeft, naar de letter van de wet, de toepassing van de art. 126v Sv geregelde BOB-bevoegdheid. In de jurisprudentie komen niet of nauwelijks zaken voor waarin op deze grond een verweer omtrent de onrechtmatigheid van het handelen van het TCI is gevoerd.4 Verklaring hiervoor kan zijn dat informanten niet op een dergelijke manier worden gerund door het TCI, althans dat dit niet aannemelijk kan worden gemaakt door de verdediging. Niettegenstaande het voorgaande kan echter niet worden uitgesloten dat in een beperkt aantal gevallen wel degelijk op een dergelijke onrechtmatige wijze informanten worden gerund.5 In ieder geval kan dit, vanwege het afschermingsbelang, niet (in voldoende mate) extern worden gecontroleerd.
Het laatste type onrechtmatigheid houdt verband met het in art. 6 EVRM neergelegde recht op een eerlijk proces. Onder dit soort onrechtmatigheden kunnen worden geschaard het vermeende achterhouden dan wel niet willen prijsgeven van ontlastende informatie. Een onrechtmatigheid schuilt in dat geval niet zozeer in het onrechtmatig handelen van het TCI, maar in het met een beroep op het afschermbelang weigeren openheid van zaken te geven. Als voorbeeld wordt in dit verband op het arrest van het Hof ’s-Hertogenbosch van 23 december 2011 gewezen.6 In deze zaak verklaart de verdachte informant te zijn geweest. Een standpunt dat het begaan van de ten laste gelegde strafbare feiten zou kunnen verklaren. Het Hoofd TCI wordt hieromtrent ter zitting gehoord en hieruit blijkt dat de TCI-officier voorafgaand aan dit verhoor de instructie heeft gegeven geen vragen te beantwoorden die leiden tot openbaring van de identiteit van informanten. Het Hof verklaart het OM hierop niet-ontvankelijk. Tot dit oordeel komt het hof mede nu de niet onaannemelijk voorkomende stelling van de verdachte hierdoor niet kan worden onderzocht. In dit verband is ook het arrest van de Hoge Raad van 2 februari 2010 van belang.7 Opgeworpen wordt dat een informant waarschijnlijk over ontlastende informatie beschikt. Het hof beslist tot het horen van de informant hieromtrent, het OM weigert en hierop wordt het OM hierop niet-ontvankelijk verklaard. In cassatie wordt door het OM aangevoerd dat een informant niet als getuige kan gelden. De Hoge Raad verwerpt dit punt onder verwijzing naar de conclusie van de A-G en oordeelt voorts dat het hof op een juiste wijze heeft uitgelegd waarom in casu de informant diende te worden gehoord en niet kon worden volstaan met het horen van het Hoofd CIE. Het is goed om op deze plek ook al een ander art. 6 EVRM rakend element aan te stippen en dat houdt verband met de manier waarop TCI-informatie wordt gebruikt in het strafproces. Verderop wordt inzichtelijk gemaakt, en dat punt is ook al aan bod gekomen bij de anonieme meldingen van burgers, dat gelet op het op art. 6 EVRM gebaseerde art. 344a Sv het gebruik van TCI-informatie voor het bewijs moeilijk denkbaar is. Ten slotte kan onder de categorie onrechtmatigheden die het eerlijk proces raken ook de instigatie van de latere verdachte worden geschaard. Een voorbeeld is de Goudsnipzaak, waarin het OM niet-ontvankelijk wordt verklaard vanwege het feit dat de informant de latere verdachte heeft uitgelokt tot een transactie met vals geld.8
5.5.3.3.1 Het toetsen van de rechtmatigheid van TCI-informatie: uitgangspunten5.5.3.3.2 Het toetsen van de rechtmatigheid van TCI-informatie: de rechtmatigheidsgetuige5.5.3.3.3 Het toetsen van de rechtmatigheid van TCI-informatie: inzien van interne stukken