Einde inhoudsopgave
RvdW 2024/74
Profijtontneming, w.v.v. uit het als oprichter en leider deelnemen aan criminele organisatie. Overschrijding redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep. Kon hof volstaan met vermindering van betalingsverplichting met € 5.000 bij schatting w.v.v. op € 656.064? HR herhaalt relevante overwegingen uit NJ 2008/358, m.b.t. beoordelingskader overschrijding redelijke termijn en regel dat tijdsverloop tijdens e.a. en h.b. afzonderlijk beoordeeld moet worden. Door bij beoordeling van vraag of behandeling van zaak binnen redelijke termijn heeft plaatsgevonden, alleen acht te slaan op omstandigheid dat ‘procedure als geheel periode van zeventien jaren en zeven maanden [heeft] bestreken’, heeft hof dit beoordelingskader miskend. In cassatie wordt ervan uitgegaan dat redelijke termijn zowel in e.a. als in h.b. is overschreden. HR doet zaak zelf af en vermindert (mede gelet op overschrijding van redelijke termijn in cassatie) opgelegde betalingsverplichting van € 651.064 met € 11.064. Samenhang met 20/04224 P, 20/04236 P en 20/04237 P (niet gepubliceerd; art. 80a RO).
HR 19-12-2023, ECLI:NL:HR:2023:1764
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
19 december 2023
- Magistraten
Mrs. M.J. Borgers, T. Kooijmans, C.N. Dalebout
- Zaaknummer
20/04340 P
- Conclusie
A-G mr. D.J.C. Aben
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Sancties
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2023:1764, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 19‑12‑2023
ECLI:NL:PHR:2023:994, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 07‑11‑2023
Essentie
Profijtontneming, w.v.v. uit het als oprichter en leider deelnemen aan criminele organisatie. Overschrijding redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep. Kon hof volstaan met vermindering van betalingsverplichting met € 5.000 bij schatting w.v.v. op € 656.064? HR herhaalt relevante overwegingen uit NJ 2008/358, m.b.t. beoordelingskader overschrijding redelijke termijn en regel dat tijdsverloop tijdens e.a. en h.b. afzonderlijk beoordeeld moet worden. Door bij beoordeling van vraag of behandeling van zaak binnen redelijke termijn heeft plaatsgevonden, alleen acht te slaan op omstandigheid dat ‘procedure als geheel periode van zeventien jaren en zeven maanden [heeft] bestreken’, heeft ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.