Einde inhoudsopgave
RvdW 2024/56
Goederenrecht. Verkrijgende verjaring (art. 3:99 lid 1 BW); bezit te goeder trouw (art. 3:11 BW); onbekendheid met feiten die door raadpleging registers zouden zijn gekend (art. 3:23 BW); verzuim inschrijving erfdienstbaarheid.
HR 22-12-2023, ECLI:NL:HR:2023:1825
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
22 december 2023
- Magistraten
Mrs. G. de Groot, T.H. Tanja-van den Broek, C.H. Sieburgh, G.C. Makkink, K. Teuben
- Zaaknummer
22/04563
- Conclusie
A-G mr. S.D. Lindenbergh
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2023:1825, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 22‑12‑2023
ECLI:NL:PHR:2023:802, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 15‑09‑2023
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑05‑2023
Beroepschrift, Hoge Raad, 06‑12‑2022
- Wetingang
Samenvatting
Een erfdienstbaarheid is een registergoed en kan door verjaring worden verkregen bij bezit te goeder trouw van de erfdienstbaarheid gedurende een onafgebroken periode van tien jaar (art. 3:99 lid 1 BW). Goede trouw ontbreekt niet alleen indien de bezitter de feiten of het recht, waarop zijn goede trouw betrekking moet hebben, kende, maar ook indien hij ze in ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.