RvdW 2024/91:Poging tot doodslag door met mes in arm/schouder van ander te steken (art. 287 Sr) en bedreiging (art. 285 lid 1 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht poging tot doodslag en bedreiging. Betrouwbaarheid van herkenning van verdachte door getuigen (zus, neef en nichtje van verdachte) op videobeelden. 2. Bewijsklacht poging tot doodslag t.a.v. opzet. Heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangeefster zou komen te overlijden? 3. Redelijke termijn in cassatie. Verkorte termijn of reguliere termijn toepassen m.b.t. inzendtermijn en uitspraaktermijn, nu hof in zijn arrest de gevangenneming van verdachte heeft bevolen? Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: ’s Hofs oordeel dat verklaringen van getuigen betrouwbaar zijn, waarin besloten ligt dat deze niet lijken te zijn beïnvloed door voorinformatie, is begrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Gelet hierop is ’s hofs oordeel om getuigenverklaringen voor bewijs te gebruiken, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft uit letselonderzoek kunnen afleiden dat letsel neerwaarts is toegebracht en dat verdachte dus bovenhands heeft gestoken, terwijl stekende beweging altijd een versnelling behelst. Gezien de uit bewijsmiddelen naar voren komende dynamische situatie (versneld op aangeefster aflopen, schoppen en vervolgens steken, terwijl aangeefster over straat loopt), heeft hof kunnen oordelen dat verdachte heeft ingestoken op bewegend persoon en dat er dus aanmerkelijke kans bestond dat vitale organen in romp op fatale wijze zouden worden geraakt. Gelet hierop is ’s hofs oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet had op dood van aangeefster, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ad 3. HR gaat m.b.t. inzendtermijn uit van 8-maandentermijn, nu verdachte zich t.t.v. instellen van cassatieberoep niet in voorlopige hechtenis bevond. M.b.t. uitspraaktermijn gaat HR uit van 16-maandentermijn, nu verdachte zich t.t.v. aanzegging a.b.i. art. 435 Sv o.g.v. de door hof bevolen gevangenneming wel in voorlopige hechtenis bevond. Volgt verwerping. CAG gaat zowel t.a.v. inzendtermijn als t.a.v. uitspraaktermijn uit van verkorte termijnen.