De meerwaarde van meervoud
Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/3.4.2:3.4.2 Kwaliteit van meervoudige en enkelvoudige handelsvonnissen
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/3.4.2
3.4.2 Kwaliteit van meervoudige en enkelvoudige handelsvonnissen
Documentgegevens:
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174217:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Milar & Rouwendal 2014, p. 6.
Uniken Venema e.a. 2014, p. 121-122.
Commissie-Neleman, wier onderzoek resulteerde in het rapport van Neleman & Neijt 2010.
Het toetsingsformulier is gepubliceerd in Uniken Venema e.a. 2014, p. 125-127.
Uniken Venema e.a. 2014, p. 123.
Voor een uitvoerige uitleg over het onderzoek, zie Milar & Rouwendal 2014 en Van der Schaaf 2014.
Van der Schaaf 2014, p. 5-6, 16.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De conclusie dat beslissen met z’n drieën tot betere kwaliteit leidt dan beslissen in je eentje wordt niet onderschreven door een andere studie, waartoe de Raad voor de rechtspraak enkele jaren geleden het initiatief heeft gegeven – zij het dat dit onderzoek van volkomen andere aard is dan dat van Van Dijk, Sonnemans & Bauw. In bedoeld onderzoek uit 2013 is de ‘ambachtelijke kwaliteit’ van handelsvonnissen onafhankelijk van elkaar beoordeeld door twee wisselende raadsheren – peer reviewed dus. Ambachtelijke kwaliteit is daarin omschreven als ‘de mate waarin een vonnis vaktechnisch goed in elkaar steekt, met name leesbaar en helder, niet te lang, consistent, en procedureel en materieelrechtelijk foutloos is, terwijl het uitmondt in een overtuigende en aanvaardbare beslissing.’1 Ook is gelet op kwaliteitsverschillen tussen meervoudig en enkelvoudig gewezen vonnissen.
De aanleiding voor het onderzoek was de steeds terugkerende constatering van visitatiecommissies van de rechterlijke macht dat ze wel een beoordeling konden geven van het functioneren van gerechten, maar niets konden zeggen over de kwaliteit van hun uitspraken.2 In het besef dat er in de rechtspraak een zekere communis opinio bestaat over de kwaliteitseisen waaraan het werk van een rechter moet voldoen, is een commissie van rechters en advocaten aan de slag gegaan om een toetsingskader voor het meten van kwaliteit van handelsvonnissen te ontwikkelen.3 Deze commissie-Neleman heeft een uitvoerig toetsingsformulier ontworpen, waarvan het idee is dat als aan de daarin opgenomen kwaliteitscriteria is voldaan, de enkel- of meervoudige kamer goed werk heeft verricht.4
De methode van de commissie bleek tijdrovend: de twee raadsheren waren zo’n dertien uur per persoon bezig met de beoordeling van een vonnis, het lezen van het dossier inbegrepen. Daarom is na de eerste pilot de pragmatische keuze gemaakt om een vonnis door twee raadsheren bij de gerechtshoven te laten toetsen, die de zaak in hoger beroep toch al inhoudelijk zouden beoordelen. Deze werkwijze lijkt enigszins op meelezen (zie hoofdstuk 8) en oogt als een slimme methode, al zijn er kanttekeningen bij te plaatsen. Dat de toetsende raadsheren ook daadwerkelijk rechtspreken en het vonnis in hoger beroep dus bekrachtigen of vernietigen, hoeft niet direct een probleem te zijn. Er zijn diverse redenen om hun dictum los te kunnen zien van de kwaliteitsbeoordeling (zie paragraaf 11.1). Problematischer is dat de raadsheer-beoordelaar kennisneemt van de na het vonnis gewisselde processtukken, wat zijn beoordeling van de kwaliteit van het vonnis kan vertekenen. Verder is onvermijdelijk dat de onderzochte vonnissen niet volkomen representatief zijn voor de algemene kwaliteit van vonnissen, omdat ze zaken betroffen die in hoger beroep zijn gegaan. Wellicht zijn de vonnissen waartegen beroep wordt aangetekend gemiddeld van iets lagere kwaliteit of staat er in die zaken gemiddeld meer op het spel.5
In totaal hebben 158 raadsheren als beoordelaar aan het onderzoek meegewerkt, met vertegenwoordiging van alle hoven. Zij hebben 632 handelsvonnissen beoordeeld, waarvan 92 procent in eerste aanleg door een enkelvoudige kamer is gewezen en 5 procent door een meervoudige (bij 3 procent is over de wijze van afdoening niets ingevuld). De vonnissen waren evenredig afkomstig van de elf rechtbanken in Nederland en daarbinnen van civiele dan wel kantonrechters. De zaken betroffen bodemprocedures of voorlopige voorzieningen. De vonnissen werden in drie gerechtshoven geselecteerd op basis van de in de tweede helft van 2013 binnengekomen zaken. In twee hoven hebben raadsheren zelf bepaald welke vonnissen zij gingen beoordelen, waarbij ze niet selecteerden op type vonnis.6 De beoordelaars hebben de 25 vragen van het toetsingsformulier ingevuld en aangegeven welk onderdeel het zwaarste meetelde voor hun eindoordeel. Meestal merkten zij ‘motiveren en beslissen’ en ‘juridische beoordeling’ aan als de onderdelen met het meeste gewicht. De raadsheer die het concept-arrest in hoger beroep had geschreven, is aangemerkt als hoofdbeoordelaar. De raadsheer die het concept-arrest vervolgens als eerste had meegelezen, is tweede beoordelaar genoemd. De tweede beoordelaar beschouwde dus het oordeel van de hoofdbeoordelaar, alvorens zelf zijn oordeel over het vonnis te geven.
Het onderzoek leidde tot de volgende resultaten. De hoofdbeoordelaar heeft 49 procent van de vonnissen als goed aangemerkt, 33 procent als voldoende, 16 procent als onvoldoende en 3 procent als slecht. De hoofdbeoordelaar heeft 81 procent van de vonnissen positief bevonden, waarbij de kwalificaties voldoende en goed zijn opgeteld en afgerond. De tweede beoordelaar zit daar met 83 procent nog iets boven. In de meeste zaken bleken de twee beoordelaars in hun eindoordeel op één lijn te zitten. In 2 procent van de vonnissen waarin de hoofdbeoordelaar positief was, was de tweede beoordelaar negatief. Andersom was dat 3 procent.
Verder was 85 procent van de vonnissen van de handelsrechter volgens de hoofdbeoordelaar goed of voldoende. Van de kantonvonnissen was dat 76 procent. In de typen procedures was er minder verschil in kwaliteit aanwijsbaar. 84 procent van de kortgedingvonnissen ontving van de hoofdbeoordelaar een positief oordeel; in bodemprocedures kreeg 80 procent van de vonnissen dit oordeel.
Van alle resultaten zijn die van de vergelijking tussen meervoudige en enkelvoudige vonnissen voor deze studie het meest relevant. Gemiddeld kregen de vonnissen van de meervoudige kamer een iets positiever eindoordeel, maar de verschillen zijn niet significant: 54 procent van de meervoudige vonnissen waren volgens de hoofdbeoordelaar goed tegenover 49 procent van de enkelvoudige vonnissen. Geen van de meervoudige vonnissen scoorde slecht; van de enkelvoudige vonnissen was dat 3 procent. Zie figuur 3.5.7
Figuur 3.5 Eindoordeel hoofdbeoordelaar naar wijze van behandeling door de rechtbank (in meervoudige dan wel enkelvoudige kamer)
Enige behoedzaamheid bij de interpretatie van de resultaten is op zijn plaats, daar het aantal bestudeerde meervoudige vonnissen (29 tegenover 581 enkelvoudige) niet groot is. 16 meervoudige vonnissen zijn dus als goed gekwalificeerd, 8 als voldoende en 5 als onvoldoende. De eindoordelen van tweede beoordelaars zijn niet weergegeven.