Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/3.4.5
3.4.5 Geen ingebrekestelling en verzuim vereist voor opschorting
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950285:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 2.4.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 208. Aldus ook Fesevur, Voorrechten en retentierecht (Mon. BW nr. B13) 2017/15 onderdeel a en Kruissen 2008, p. 40.
Zie ook § 2.8.
Zie over het verschil tussen een ‘niet-nakoming’ en een ‘tekortkoming’ nader Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/37 met verdere verwijzingen. Zie ook Hijma & Olthof, Compendium Nederlands vermogensrecht 2023/349, onder 3 (“Toerekenbaarheid of verzuim is voor opschorting niet vereist!”); Valk 2022b, aant. 2, onderdeel c en Streefkerk, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 1992, p. 59-60.
Zie ook Vermeij 2022, p. 777 en Dammingh & Klomp 2014, p. 35. Zie bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 11 november 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:4654, r.o. 7.5.2. Zie voorts HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:95, NJ 2014/236, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (Kenter/Slierings), r.o. 3.5 en HR 8 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7343, NJ 2002/199 (Hendrikx/Peters), r.o. 3.4. Uit HR 6 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2389, NJ 1998/128, m.nt. P.A. Stein (Van Bommel/Ruijgrok), r.o. 3.4 kan niet worden afgeleid dat een ingebrekestelling niet nodig is voor een opschortingsrecht. Daarin honoreerde de Hoge Raad weliswaar de opschorting van de huurbetalingsverplichting vooruitlopend op een ontbindingsbesluit zonder dat de wederpartij in verzuim verkeerde, maar de verzuimregeling was niet van toepassing, omdat nakoming door de wederpartij ‘tijdelijk onmogelijk’ was als bedoeld in art. 6:265 lid 2 BW.
Volgens Dammingh & Klomp 2014, p. 33 is het grootste misverstand rond opschorting dat daarvoor verzuim zou zijn vereist.
Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 14 maart 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2240, r.o. 3.8; Hof Arnhem-Leeuwarden 2 maart 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:2022, r.o. 5.15; Hof ’s-Hertogenbosch 18 oktober 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:4782, r.o. 7.7.1; Rb. Gelderland 15 maart 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:1381, r.o. 7.10 en GEA van Aruba 24 november 2021, ECLI:NL:OGEAA:2021:577, r.o. 4.8.
Zie bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 12 juli 2022, GHSHE:2022:2336, r.o. 3.11.7 en Rb. Den Haag 30 maart 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:4612, r.o. 4.44. Zie bijv. ook Rb. Noord-Nederland 29 maart 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:937, r.o. 4.10 en Rb. Zeeland-West-Brabant 12 oktober 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:5985, r.o. 3.11.
Aldus ook Asser/Sieburgh 6-I 2020/272 en De Vries 1997, p. 416-419.
Zie bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 15 november 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3915, r.o. 9.10, onderdeel c, en Rb. Rotterdam 18 mei 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:3931, r.o. 4.11.
Denk bijv. aan het geval waarin het verzuim zonder ingebrekestelling intreedt als een voor de voldoening bepaalde en fataal bedoelde termijn verstrijkt zonder dat de vordering is nagekomen (art. 6:83 aanhef en onderdeel a BW). Zie ook HR 5 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8307, NJ 2012/584 (Tyco Fire Nederland/Delata), r.o. 3.4.2 en voorts § 2.7.2.
Zie voor een voorbeeld waarin een vereiste deugdelijke ingebrekestelling ontbrak en daarom geen opschortingsbevoegdheid bestond Rb. Rotterdam 27 juli 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:6320, r.o. 5.2-5.5.
Artikel 6:52 lid 1 BW vereist een niet-nakoming door de schuldeiser jegens zijn schuldenaar. Verzuim van de wederpartij is niet vereist.
De schuldenaar is op grond van artikel 6:52 lid 1 BW bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten tot voldoening van zijn vordering plaatsvindt. Met ‘voldoening’ heeft de wetgever het oog op nakoming van deze vordering door de wederpartij. Het algemene opschortingsrecht is een verweer van de schuldenaar tegen handelen van de wederpartij in strijd met de redelijkheid en billijkheid, dat eruit bestaat dat die wederpartij de schuldenaar tot nakoming zou willen dwingen, zonder harerzijds nakoming aan te bieden.1 Het gaat om een niet-nakoming van de wederpartij.2 De wederpartij die zich bereid en in staat tot nakoming verklaart, voorkomt niet een opschortingsbevoegdheid van zijn schuldenaar, omdat die verklaring geen nakoming is.3 Niet vereist is een toerekenbare tekortkoming van de wederpartij als bedoeld in artikel 6:74 BW.4 Daarom is geen verzuim vereist en behoeft de schuldenaar zijn wederpartij ook niet eerst in gebreke te stellen, voor zover dat verzuim niet reeds zonder ingebrekestelling zou zijn ingetreden.5
Op dit punt gaat de beoordeling van een opschortingsverweer in de praktijk nog wel eens mis.6 Soms is het de wederpartij die het bestaan van een opschortingsverweer betwist op de grond dat verzuim ontbreekt.7 Soms is het de rechter die op deze grond een opschortingsverweer niet honoreert.8 Voor het algemene opschortingsrecht is echter voldoende dat de wederpartij de vordering van de schuldenaar niet of niet meer nakomt.9 Dat neemt natuurlijk niet weg dat zij wel in verzuim zou kunnen verkeren.10 Het opeisbaar worden van de vordering en het intreden van het verzuim van de wederpartij zouden ook op hetzelfde moment kunnen vallen.11 Voor een opschortingsbevoegdheid is verzuim evenwel niet vereist.
Wanneer de schuldenaar de nakoming van zijn verbintenis opschort in verband met een schadevergoedingsvordering uit hoofde van wanprestatie, is voor het ontstaan van die vordering uiteraard wel vereist dat de schuldeiser in verzuim verkeert, behoudens voor zover de nakoming niet reeds blijvend onmogelijkheid is (art. 6:74 BW). De toepasselijkheid van de verzuimregeling betreft dan de vraag naar het bestaan van de vordering van de schuldenaar op zijn wederpartij, in verband waarmee hij een opschortingsverweer voert, en gaat in zoverre dus vooraf aan de vraag of de schuldenaar opschortingsbevoegd is.12 Voor het antwoord op deze laatste vraag is voldoende dat zijn wederpartij haar verbintenis niet of niet meer nakomt.